elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeel

zeel , zeel , (onzijdig) , dikke touw, koord. Er is eene spreekwijze: één zeel trekken, voor overëenstemmen. Ook aan ’t klokzeel hangen voor bekend maken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zeel , zeel , land; hiervan: anzeelen = vastbinden, ook: inspannen van twee paarden, Gron. zeeltuug = het tuig waaraan de strengen van een wagen worden bevestigd; in ʼt zeel wezen = aan den arbeid zijn. Neders. säle, Holst. seel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
zeel , zeel , (onzijdig) , zeele , zeel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zeel , zeel , hengsel, van een mandje; ook ijzeren hengsel van een emmer. Vgl. v. Dale art. zeel; in ’t zeel wezen = onafgebroken arbeiden, in touw zijn; eigenlijk zooveel als: ingespannen zijn; ien zeelen hangen, eig. van oude, afgeleefde paarden, die men door middel van zeelen op de been houdt; fig. van een persoon die slecht met zijn zaken staat, en zich alleen door steun van anderen staande houdt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zeel , zeel , ziel , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast eertijds ziel. Behalve in de ook elders gewone bet. van touw (zie b.v. SOETEBOOM, S. Arc. 552: SCHAAP, Bloemt. (ed. 1724), 116; en vgl. hoornzeel), vooral in de zin van hengsel, oorspronkelijk van touw, doch thans het ijzeren hengsel aan emmers, ketels, ijzeren potten enz. Vgl. potzeel. || Wat is ’et zeel van die ijzeren pot roestig. – In deze zin ook elders in Kennemerland, b.v. te Uitgeest. – Vgl. zeelt I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zeel , zeel* , (bldz. 581), ook = ijzeren hengsel van een emmer; bij v. Dale “zeel” = streng van hennep, draagriem, touw.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
zeel , zeel , onzijdig , zeele , zeeltien , touw; zeeltienspringen, touwtjespringen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zeel , zièllen , [zĭęln̥] , mannelijk , paardetuig, bestaande uit de repen, het biöstblad, de kussens en ’n halsreim.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zeel , zeel , zelfstandig naamwoord, onzijdig , zeele , zeelken , 1 bindsel voor een schoof, 2 touw om de weeznboom aan de wagen vast te maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zeel , zeln , zelfstandig naamwoord, mannelijk , zeln , deel van het paardetuig, voor de borst van het paard langs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zeel , zeel , 1. hengsel 2. touw 3. paardetuig; zailen, (ouderwets) banden om de garf
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zeel , zeêl , zelfstandig naamwoord ’t , Zeel, touw, streng van het paardetuig die aan de spoorstok wordt bevestigd. Zie voor de herkomst het N.E.W. onder zeel. Zegswijze die staat an ’n goed zeêl, die heeft vermogende ouders. Meervoud zêle. Zegswijze over de zêle slaan, uit de band springen, niet in het gareel lopen. – Buiten de zêle springe, zie de vorige zegswijze
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zeel , zèle , paardetuig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zeel , zelle , zellegie , zeel, draagband.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zeel , zeel , zele, zel , de, het , zelen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook zele (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), zel (Scho, Pdh) = 1. zeel, van leer of textiel De zelen knelden mie op de scholders van een bretel (Bov), Jopkie drag aaid een mouwschoet daogs, eein met zelen, aans zakt het heur of (Eex), De schipper hadde de vrouwe in de zele (Koe), (fig.) Hij hef vandage probeerd of hum het zeel wal past begin gemaakt met het werk (Hijk) 2. paardenzeel De zeel bestund oet het börststuk, de lichter, het schoftstuk en het hoekiezer (Sle), Ons peerd hef altied een stevige gordel om, dan zat het zeel beter (Eri), De grote zel over de boeg van het peerd was knapt (Pdh), De ziedstrengen van de zele loopt deur de moffe (Bro), z. ook ziel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeel , ziel , zeel, zeil, zele , de , zielen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook zeel (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), zeil (Zuidoost-Drents veengebied), zele (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = stroband Hij knupt de onderste zeil nich goud um de gorve (Bov), Een zele umme de garve bienden (Hgv), Wij hebt de garven in ’t zeel alle garven gebonden (Pes), Een ziel oettrekken een deel van de hoekgarf opzij leggen om een beter verband in de hoeken te krijgen en zodoende wegglijden te voorkomen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeel , zeel , dik touw.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zeel , zele , 1. paardentuig; 2. trekband; 3. band. De zelen van een sköt ‘de banden van een schort’; 4. reeks. IJ nam een zele maotregels ‘hij nam een reeks maatregelen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zeel , zèèle , zèèltien , zeel (paardetuig); zèèltien, kleine zeel = tuig voor pony.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zeel , ziil , touwkabel, dik touw , Un ziil, dé hôd'de nóddeg um't stróój óp de kaor vaast te biine. Een dik touw had je nodig om het stro op de kar vast te binden.
Verkleinvorm ziltje. Meej 'n paor paole, 'n stuk hout, 'n paor ziltjes én 'n plénkske môk'te 'n stuurrie. Met 'n paar palen, 'n stuk hout, 'n paar dikke touwtjes en een plankje maak je een schommel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zeel , zeel , ziele , zelfstandig naamwoord , et 1. brede band of brede riem 2. bretel 3. schouderband (van kleding) 4. veiligheidsgordel i.e. auto e.d. 5. hengsel van een emmer 6. kruizeel 7. in een nat zeel dronken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zeel , zille , zelfstandig naamwoord , de 1. borsttuig, haam van een trekdier, vooral van een paard 2. kruiwagenzeel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zeel , zeel , zelfstandig naamwoord , zeele , zeeltie , [O] houten zeef voor aardappels (Vierkante bak met bodem van op gelijke afstand van elkaar gelegen latten; werd aan vier handvatten opgetild en geschud; de herrep was een schuinstaande zeef die niet werd bewogen, waarover de bovenop uitgestorte aardappels vanzelf naar beneden gleden)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zeel , zêêl , zelfstandig naamwoord , zêêle , zêêltie , 1. zeel, touw, kruislings over de schouders gehangen draagriemen Hij had een zêêl om z’n schoere bij ‘t kruie Hij had een zeel om zijn schouders bij het kruien Zie ook helpzêêl en hermzêêl
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zeel , zèèl , touw
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zeel , zele , (zelfstandig naamwoord) , zeel, band, singel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zeel , zeel , dik touw, zeel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zeel , zelen , zaelen, mensezelen , 1. bretels; 2. draagbanden van een (hoog) schort die over de schouder gedragen worden; 3. draagbanden waaraan de kruiwagen getild wordt.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zeel , zeel , zelfstandig naamwoord , touw (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland); zilleke; verkleinwoord; touwtje (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zeel , zeeltje , zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm van ‘zeel’; WNT – lemma ZEEL I.1 - Streng, reep, band, touw, meestal van hennep of leder, maar ook uit andere soepele grondstoffen, naar den vorm vooral hetzij een dik rond touw, hetzij een breede platte reep, op uiteenloopende wijzen gebruikt als werktuig; vaak hetz. als: touw, en in dien zin soms ook als stofnaam. ; Cees Robben – ’t zeeltje om z’n ruige snuit/ dè vringt ‘m host z’n taanden uit ((19590509) [over een varken dat met een zeel om de snuit naar de wagen van de slachter wordt getrokken.]
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal