elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeikput

zeikput , zéjkput , poel of kuil bij de mesthoop of -vaalt waar het mestvocht invloeit.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
zeikput , zeikput , zelfstandig naamwoord , gierkelder (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zeikput , zèèkput , zelfstandig naamwoord , WBD gierkelder, ook 'gierput', 'gierkèlder' of 'beerput' genoemd; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEIKPUT zelfstandig naamwoord  m. - bij landb. : gemetselde put, waar men zeik in bewaart.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal