elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeis

zeis , zessie , zeis of zeissen. Een vorkachtig aan eenen zeer langen steel vastgehecht, waarmede graangewassen gemaaid worden en van de Zigt onderscheiden. Zie dat w
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zeis  , zaes , zeis.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zeis , zäisen , vrouwelijk , zeis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zeis , zàejsl , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , zàejsls , zàejslken , grote zeis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zeis , saais , saaize , zeis
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zeis , zèssie , zelfstandig naamwoord , zeis.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zeis , zeis , rotvaart; en zeis d’r i hebbe.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
zeis , zeist , zais, zèès, zèèse zèèst, zeisem , zelfstandig naamwoord , (KRS: Werk, Bunn; LPW: IJss, Mont, Bens, Cab) zeisem (KRS: Lang, Hout), zèès (LPW: Lop, Cab), zèèse (LPW: Lop), zèèst (LPW: Bens), zais (LPW: Lop) zeis. De -t in zeist is een hypercorrectie; zie hoofdstuk 2, punt B.4. Zeisem kan zich ontwikkeld hebben uit zeising ; zie hoofdstuk 2, punt C.3. De vorm zeist komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 146 en153, punt 18) en in Gouda (Lafeber 1967, p. 159). Zie ook Van Veen 1964, p. 69-72, kaart 6: zeis ; Taalatlas, afl. 1, kaart 13: zeis . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
zeis , zeisen , zeis.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zeis , zeisen , zeis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zeis , zaise , zaaise, zeise, zais , de , zaisen , (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën). Ook zaaise, zeise (Zuidoost-Drenthe), zais (Kop van Drenthe) = zeis Hij wol de zaaise strieken en do har e het pikstrik vergeten (Bov), Achter de zaise uutwellen koren opnemen na de maaier (Twe), Een hekel is een opzet op de zais (Pei), Een zais oethouwen recht maken, scherpen (Eev), z. ook zèende en zwao
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeis , zeide , de , (Coe) = zeis Toen het koren nog met de zeide of zichte meeid weur, weur het in schoven bunden (Coe), z. ook zèende
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeis , zeissie , zeis.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zeis , zeise , zeisen , (Kampen) zeis. Ook: zeisen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zeis , zeisn , zeisns , zeis.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zeis , zaais , zelfstandig naamwoord , zaaise , zaaissie , zeis
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zeis , zèìjssie , zèssie , zeis
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zeis , zeise , (zelfstandig naamwoord) , zeis.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zeis , zèèsie , zeis
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zeis , zèèsie , zèèsieke , zeis
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zeis , zèsie , zeis
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
zeis , zeisem , zeis.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zeis , zeisie , zaisie, zèssie , zelfstandig naamwoord , zeis (West-Brabant); zaisie; zeis (Helmond en Peelland); zèssie; zeis (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zeis , [zeis] , zaegsel , (onzijdig) , zeis om gras of groenvoer mee te maaien
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zeis , zèès , zelfstandig naamwoord , zèske, zèssie , Henk van Rijen - zeis; zèske - verkleinwoord; Henk van Rijen - zeisje; zèssie - verkleinwoord van ‘zèès’ zeisje; Cees Robben – Hij [Pietje de Dood] zwaait z’n zessie keer op keer... (19550709)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zeis , zaes , zeis
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal