elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zemel

zemel , zemel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast soms ziemel. Zie de wdbb. || De grond leit vol ziemel. – Ook de papiermolen de Zemelzak te Zaandijk wordt in het Cassaboek v. h. weeshuis te Zaandijk (a° 1761) genoemd: “de Simelzak”.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zemel , zièmmel , zemel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zemel , zeml , zelfstandig naamwoord, mannelijk , zeml , zemlken , zemel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zemel , zemel , zie *zemeleknoper .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
zemel , zemel , zemmel , de , zemels , Ook zemmel (Pdh, Scho) = 1. broodzemel Zemels mut goed wezen veur de stoelgang (Ker), Zemels holde wij over aw het meel ziften (Wap), Zemels worden eerder gebruukt um emelten te bestrieden mit Parijs groen (Pes), De kiender nooit slaon, want dan geet het net as mit een zak maal. Aj daor op slaot, slao ie het beste der uut en ie holdt de zemels over (Flu) 2. zeurpiet Door komt dai zemel weer an, hai lopt joe gewoon de deure plat (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zemel , zemels , zèmels , zelfstandig naamwoord, meervoud , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook zèmels (jo) = zenuwen Hie har last van de zemels (Sle), z. ook zenen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zemel , zemels , zemelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zemel , zemel , zelfstandig naamwoord , de 1. zemel, huls, dop van een graankorrel 2. iemand die steeds zeurt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zemel , ziemel , zimmel , zelfstandig naamwoord , zeurpiet (Helmond en Peelland);zimmele; meervoud; zenuwen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zemel , [zeurkous] , zemel , (vrouwelijk) , zemele , zemelke , 1. zemel 2. onuitstaanbare zeurkous
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal