elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zemelen

zemelen , zemmels , (vrouwelijk) , zemelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zemelen , zemêln , langzaam, slepend, temend praten; ook Noord-BrabantschKil. semelen (werkwoord), semelachtigh, en: semeler; Oostfriesch sämeln = langzaam handelen, spreken, treuzelen; Nedersaksisch semmeln, semmelke, semmelije, van: sümen (Groningsch zumen, in: verzumen = verzuimen), Nederlandsch sammelen = talmen, dralen. Vgl. omzemêln, alsook ’t West-Vlaamsch zumen = lemmen, lamoereren, slepende en vleiende spreken, zeem zoete woorden zeggen. Zij kan verduiveld zeemen. Dat zeemen is onverdragelijk. (De Bo); zie: plassen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zemelen , zimmele , zaniken, zeveren. Zit daor nie zò te zimmele! Zit daar niet zo te zaniken!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zemelen , zemeln , zwammend praten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
zemelen , zemmels , zemelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zemelen , zemeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , zeuren Ze zemelt joe de oren van de kop (Bco), As hij niet zemelt en zeurt, dan moppert hij wel (Hgv), Most nait zo zemeln, ...zeuren, ...zaoniken (Vtm), Hij zemelt al over hetzölfde deur; daor woj gek van (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zemelen , zemelen , werkwoord , zemelen, zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zemelen , zeemele , werkwoord , zemel, zemelde, gezemeld , zeuren, zaniken Jonge, wat leggie toch te zeemele
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zemelen , zemels , (zelfstandig naamwoord) , zemelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zemelen , zimmele , werkwoord , aarzelen, treuzelen (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zemelen , [zachtjes regenen] , zemele , zemeltj, zemeldje, gezemeldj , zachtjes regenen , Toen wae good en waal op waeg woeare, begós ’t te zemele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zemelen , zeemele , zwak werkwoord , sukkelen, treuzelen; WBD III. 3. 1:58 'zemelen', 'afbiejen' = trekken en talmen; WBD III. 3. 1:292 'zemelen' = traag praten; WBD III. 3. 1:294 'zemelen' = zaniken; Etym. L simila, D. Semmel, N. zemel (en), T. zeemele
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zemelen , zaemele , zeuren
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal