elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zemen

zemen , zemen , (zwak werkwoord, transitief) , Met een zeemleren lap afwrijven. || De glazen zemen. – Zo ook elders in N.-Holl., Gelderl., Brab. (O.Volkst. 1, 178). Volgens VAN DALE is de uitdrukking gewestelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zemen  , ziëme , met zeemleder afwrijven.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zemen , [reinigen met een zeem] , zéémen , zemen (zeùmt, zeùmde, gezeùmd).
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zemen , zêême , werkwoord , zêêm, zêêmde, gezêêmd , zemen Ik mot de glaeze nog zêême
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
zemen , zuuweme , zömme , zemen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zemen , zeume , zimt gezimd , zemen , Rôme zeumen. Ramen zemen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zemen , zemen , honing persen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zemen , zjeume , werkwoord , zemen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zemen , zieëme , zieëmtj, zieëmdje, gezieëmdj , zemen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zemen , zêûme , zwak werkwoord , zêûme - zumde - gezumd , zemen; De Wijs – Schaai naa is ûît mee dè zeumen, leg liever de zeum in oewen rok (09-07-1967); Cees Robben – Swels gij zwabbert zal ik zeume... (19780519); Zumme saome zeume of wilde gij sewèèle dwêêle ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990); (ook in praes. vocaalkrimping: gij/hij zumt; A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zö. me (n), zw. ww. tr. 'zeumen' - zomen; zumt; zeemt; Cees Robben - Swèls dè gij dieje zak zumt, zeum ik de raome; – tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'zêûme' (zemen, zomen)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zemen , zieëme , zieëmde – gezieëmd , zemen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal