elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeng

zeng , zeng , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Slag, stoot, zwaai. || Hij kreeg ’en zeng, dat-i temet (bijna) te water rolde. Ik zel je ’en zeng geven, dat je de grond zoeke. – Vgl. de scheepsterm zeng, plotselinge verheffing van de wind (met zengen waaien; op de zengen passen, V. LENNEP, Zeemans-wdb. 278), die ook in het Oost-Fri. bekend is; KOOLMAN 3, 174 verklaart senge, seng (de wind weid mit sengen) echter door zengende, hete luchtstroom of windvlaag, waarschijnlijk alleen omdat hij het woord in verband brengt met het ww. zengen. || ’t En is, onder goede vrienden, niet altijd een effen zee; daer komen zomtijds wel zenghen, en buyen, die ’t vriende-scheepjen wat doen slinghen, DE BRUNE, Bancket-Werck 2, 296.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zeng , zengske , zelfstandig naamwoord , regenbuitje (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal