elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zeveren

zeveren , [kwijlen, zeuren] , zeiveren , (zwak werkwoord) , kwijlen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
zeveren , zeiveren , Zeeveren, kwijlen. Zeiverbaord, iemand die zeivert. Vooral van kleine kinderen gezegd.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
zeveren , zeiveren , Zeeveren, kwijlen. Zeiverbaord, iemand die zeivert. Vooral van kleine kinderen gezegd.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
zeveren  , zeivere , kwijlen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
zeveren , zeeveren , zwak werkwoord , kwijlen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zeveren , zeewn , werkwoord, zwak , kwijlen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
zeveren , zéivere , zévere , a/ kwijlen, zeveren b/ zaniken, zeuren.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zeveren , zeivere , zeveren; örges ovver door bliëve nöäle.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
zeveren , zieëvere , 1) zeveren; 2) steeds op een vervelende wijze over iets spreken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
zeveren , zêêvere , werkwoord , motregenen. ‘t Hè hil d’n dag al gezêêverd. ’t Heeft de hele dag al gemotregend.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zeveren , zevere , werkwoord , 1. kwijlen (KRS: Wijk, Scha; LPW: Mont) 2. (ww) zeuren (KRS: Scha)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
zeveren , zeifelen , zeiferen, zeveren , kwijlen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zeveren , zeveren , zeveren, ezeverd, , kwijlen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zeveren , zievern , zevern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, alleen in bet. 1.). Ook zevern (alg. in bet. 2.) = 1. kwijlen Die hond kan toch zo zievern (Pei), (zelfst.) Oes poppien hef het met de mond, hie is hielmaol nat van het zievern (Sle) 2. zeuren En dan kunt ze daor wel hoe lange aover deurzevern! (Ruw), Man schei toch uut te zevern (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zeveren , zeiveren , zeveren , zeveren. wa littie toch te zeiveren, wat zevert hij toch. 1) zeuren; 2) kwijlen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zeveren , zeveren , werkwoord , zeveren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zeveren , zeivern , kwijlen
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
zeveren , ziivere , kwijlen, miezeren, kletsen , Ge moet diejen hond niks gèève ôn de tôffel, anders lit'tie ammel te ziivere. Je moet die hond niets geven aan de tafel, anders kwijlt hij voortdurend.
Ut hi zówa hil d’n dag ligge ziivere, ik héb liever aaventoe 'n malse bûij. Het heeft zowat de hele dag gemiezerd, ik heb liever af en toe een malse bui.
Ge héd mènse die praote nie, nii die ziivere mér wa ón, nie um nó te lûstere. Je hebt mensen die praten niet, nee die kletsen maar wat, niet om aan te horen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
zeveren , zieveren , zeveren , werkwoord , 1. kwijlen 2. sijpelend gaan (van vocht) 3. zaniken, zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zeveren , zeevere , zèìjvere , 1. zeveren, domme praat verkopen; 2. zeuren; 3. kwijlen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zeveren , zeveren , (werkwoord) , zeveren, ezeverd , zeveren, zeuren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zeveren , zjivere , kwijlen, maar ook zeuren/kletsen , assie wir is staot te zjivere dan begient-ie ok nog is te zjivere = als hij weer eens staat te kletsen dan begint hij ook nog eens te kwijlen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
zeveren , zieveren , zeivelen, seivelen, seibelen, zeveren, zieveren , 1. kwijlen; 2. zeuren;
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zeveren , zeevere , zeivere, zjeevere , werkwoord , kwijlen, zeuren, motregenen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); zeivere; kletsen (Helmond en Peelland); zjeevere; kwijlen, motregenen, kletspraat verkopen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zeveren , zeivere , zeivertj, zeiverdje, gezeiverdj , 1. zeveren, kwijlen 2. kletsen, zaniken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
zeveren , zêevere , zwak werkwoord , zêevere - zêeverde - gezêeverd , "kwijlen, kletsen, zachtjes regenen; Wè zêeverde de pestoor toch wir. - wat kletste de pastoor toch weer. vD. zeveren - kwijlen; flauwe praat verkopen, zaniken; N. Daamen (handschrift 1916) –  ""zeeveren - kwijlen; onbenullige kletserij""; ""motregen""; Van Delft - - Een straatventer ""kwèkt""; een kind ""seevert""; een meisje ""semmelt"" en een arbeider ""smoort"" een gulden. Dat smoren is een volkskwaal. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); - Zelfs as ‘t pèpesteele regent kunne ze nog blaoier vol zèveren om te beschrève hoe de druppels dur innen kletsnatten boom huppelen… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Cees Robben – ’t Règent ’t zêgent, ’t zeevert op de stad... (19540724); Cees Robben – Zêêveren... dè doeget naa.. (19580315); Elie van Schilt - As iemand blêef zêeveren over iets, dan wier ur gauw gezee ’Gao deur verekte zèèkert, mee oe geäuwhoer’. (Uit: ‘Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000); Elie van Schilt - we begonnen nie in September al over Sinteklaos te zééveren. (Uit: ‘Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was’; CuBra ca. 2000); WBD III. 3. 1:292 'zeveren' = traag praten; 294 'zeveren' = zaniken; WBD III. 1. 2:95 'zeveren' = morsen, knoeien; WBD III. 1:1:183 'zeveren' = kwijlen; WBD III. 1. 4:271 'zeveren' = aanhoudend klagen; WBD III. 4. 4:65 'zeveren' = lichtjes regenen; WBD III. 4. 4:70 'zeveren' = motregenen; WBD III. 4. 4:71 'zeveren' = regenen met tussenpozen; Bosch zevere - zaniken, zeuren; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zeveren - lijmerig praten, zaniken; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zêêvere ww - zeveren, motregenen; Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - ZEEVEREN - wkw (rg.) kwijlen, flauw praten; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ZEVEREN (zee:vere) onov. ww - 1) kwijlen; 2) leuteren, kletsen; 3) onpers. : 't zeevert - het regent zachtjes. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw. ww. intr. 'zeveren' 1) kwijlen, 2) lijmerig praten, wauwelen zaniken; 3) motregenen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZEEVEREN - flauwen praat vertellen; motregenen"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
zeveren , zeivere , zeiverde – gezeiverd , kwijlen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal