elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zoei

zoei , zoei , m , gier.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zoei , zoej , open greppel of goot langs het huis of over het erf waardoor het vuile afwaswater stroomt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
zoei , zoei , gier van koeien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
zoei , [dunne mest] , zoej , gier, dunne mest
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
zoei , zoej , gier
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zoei , zoei , zelfstandig naamwoord , mestgoot in de stal (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zoei , zoej , zelfstandig naamwoord , WBD aalt, gier; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ZOEI v. - goot achter de koeien, waarlangs de urine wordt afgevoerd naar de gierput. Ook: groep. A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zui, zelfstandig naamwoord  vr. 'zoei' - greppel achter het huis, waardoor het pomp- en spoelwater wegloopt; 2) greppel of gat in de potstal achter de koeien, waarin vloeibare mest werd opgevangen. WNT ZOEI 5) (N. -Brab.) vloeibare mest van koeien; gier, mestvocht, aalt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal