elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zurkel

zurkel , zurkel , surkel , surkel en zuring, die in ’t wild groeit, vooral in velden en klaver, bij schraal weder.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
zurkel , zuurkel , zelfstandig naamwoord de , Variant van zuring (plant).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
zurkel , sulker , sölper, zuulker , zelfstandig naamwoord , zuring (Eindhoven en Kempenland; West-Brabant); sölper; zuring (Helmond en Peelland); zuulker; zuring (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zurkel , zurkel , zelfstandig naamwoord , WBD III. 4. 3:265 zurkel - zuring (Rumex); WBD III. 4. 3:262 kleeverzurkel - witte klaverzuring; WBD III. 4. 3:266 zurkel - paardezuring; WBD III. 2. 3:90 'zurkel' = zuring
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal