elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zuurkool

zuurkool , zuurkool , zie: beloazerd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zuurkool , zoerkòl , zúrkòl , m , zuurkool.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zuurkool , zoerkool , zuurkool.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
zuurkool , zoerkool , zuurkool.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
zuurkool , zoerkool , zuurkool , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook zuurkool (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = zuurkool Vanmiddag kriej zoerkool met worst (Bei), ...zuurkool met worst (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zuurkool , zoerkool , zelfstandig naamwoord , de; zuurkool
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zuurkool , zoerkool , (zelfstandig naamwoord) , zuurkool.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
zuurkool , zoêrkólle , zuurkool
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
zuurkool , zure kool , zuurkool.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
zuurkool , zoerkolle , zelfstandig naamwoord, meervoud , zuurkool (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal