elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zwiem

zwiem , zwiemke , m , taaie, veerkrachtige twijg. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zwiem , zwiemke , zelfstandig naamwoord , twijgje. Een jonge, veerkrachtige twijg waarmee je iemand behoorlijk kunt striemen. Meester Ievits, die aan de openbare school in de Paardenstraat verbonden was totdat die in 1926 werd opgeheven, had er altijd een bij de hand. Hij had kunnen zeggen: ’k Zal jou es op oe kont slaon meej ’ne zwiemke waor de nachtegaol zeujve jaor òp heej zitte zinge. Hij zei ’t niet. Maar hij deed ’t wel ...
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
zwiem , zwiemke , zelfstandig naamwoord , twijgje (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
zwiem , zwiemke , zelfstandig naamwoord , verkleinwoord; Pierre van Beek - dun, zwiepend takje, dat 'doorslaat' als men het gebruikt; Henk van Rijen - ge slaot nie meej dè zwiemke, hurre - je slaat niet met dat zweepje, hoor; WBD III. 4. 3:78 zwiemke - lange dunne tak; ook genoemd: zwiep, gard, sliert; CiT (13) 'Ge slaot nie mee dè zwiemke, hùrre!'; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - zwiemke, zelfstandig naamwoord  o. - jong zwiepend takje, waarmee gemene klappen gegeven kunnen worden; ‘ze moese jou op oe kont slaon mee 'n zwiemke waor zeuve jaor de nachtegaal op hee zitte zinge.’; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) -  zwiemke zelfstandig naamwoord - twijgje; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zwiemke - veerkrachtige twijg (hilv.); WNT ZWIEM - buigzame, zwiepende tak of twijg
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal