elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: af

af , af , voor afschaffen, vervallen, ontslaan, is algemeen gebuik, in den zin als bij Van Rijswijck, Antigonus, bl. 48:
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
af , of , af; die vlegel is of; ook bij samenstellingen. Ook Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
af , of , af, van.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
af , af , òf , (voorzetsel) , af; van: ik weet er niet (niks) òf. Thans worden in het westen vooral af en of dooreen gehoord zoowel in samenstellingen als als voorzetsel. Meer oostelijk heeft of de overhand. In Twenthe en het Westen meest of, in Winterswijk en omstr. veelal af.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
af , of , voor: aan; van kind of = van kindsbeen aan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
af , of , af, van het bed, van het land; zij is t’r nog nijt of = zij ligt nog te bed; koom d’r doch of, jong! = sta dan toch op, jongen! Zij hebben ’t zoad d’r of = het koren is gezicht. Zie ook: ofdraien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
af , of , af, en: of; Kil. of = af, ook Zuid-Hollandsch en Zuid-Nederlandsch; ’t is bie de duvel of = ’t wil maar niet lukken, ’t is duivelsch; hij (of: zij) is bie de duvel of = hij is slim, men kan hem onmogelijk foppen (of: vangen). – Zie ook: dussel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
af , af , Zie òf.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
af , òf , (bijwoord) , Mîn wark is òf. Ook W. Vl.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
af , of , (bijwoord) , Af. Evenzo in alle samenstellingen. Zie op af, enz.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
af , af , (bijwoord) , Steeds bezigt men de bijvorm of; zo ook in de samenst. – Af en door, in de vorm of-en-deur en soms al-va-deur, aldoor, herhaaldelijk. || Je stote maar of-en-deur mit je stoel toe de kant op. – Vgl. zegsw. op door, kop en pad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
af , of* , af, vergel. dussel *; ook = afgedragen, versleten, enz., Nederlandsch “op.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
af , of , af.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
af , of , Mifferlof, Men broek zāk of.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
af , af , Zie òf.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
af , aaf , af.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
af , åf , af. Åf en tou: af en toe.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
af , of , bijwoord , af, vanaf, van. n Muejsn dr of, de mooiste die er bij is
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
af , af , Dè karwéj is ok wér af! Dat karwei is gedaan.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
af , af , af, van Wa wétte géj daor nou toch af? Wat weet jij daar nou toch van?; van Z’ is ’r ’n zuster af, kunde dè nie ziên? Zij is er een zuster van, kun je dat niet zien?; niet oplettend ’k Zie d’r af Ik ben er af, niet bij d
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
af , of , af , bijwoord , 1. Af. Zie ook allerlei samenstellingen met ‘of’. 2. Afgeleefd. 3. Versleten. Zegswijze skoôn of weze. 1. totaal afgeleefd zijn. 2. totaal versleten zijn. – Oud en of weze, oud en afgeleefd zijn. – Op niks of, om niets, zonder enige zin. | Da’s allegaâr lulderaai op niks of. – Bai … of, te vergelijken met. | ’t Is bai Loek of, die het ok zô prust mit z’n kniese.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
af , af , bijwoord , af. 1. Hij hèt ’r gin weet af. Hij weet er niks van. 2. De rog is af (afgemaaid). 3. Als er met de kermis veel gedronken wordt is ’t vat in de kortste keren af (leeg).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
af , of , af , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Met rekking in Noord-Drenthe. Ook af (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. af Hij vuul van het voor heui of (Pdh), IJ moet oppassen, de brugge is der of (Sle), ...is of brug is open (Dal), Aj bij het hinken op de strepe stapt, bi’j of (Wsv), Hie is der aordig of heeft het flink te pakken (Sle), Hij is noe boer of geen boer meer (Bov), Hij hef de tanden wisseld, hij is nou kalf of (Hijk), zo ook Dat peerd is of in de bek heeft gewisseld (Man), Hij is van de vrouw of gescheiden (Anl), Ik wil der of wezen of het guster was of eerguster ik weet het niet precies (Erf), Ze bunt noe heil wat beter of as mit dei veurige underwiezer (Bco), Nou en of! Ie hebt geliek! (Noo) 2. versleten Ik moet neie banden um de fiets hebben, zie bint schoon of (Bor) 3. vanaf Wij stuurt er een kaartien hen, dan bin wij der of (Coe), Van dat gereis bin ik gelokkig of (Die), Zo, daor biw of (Eev), Het waark scheut niet op; ik mus der iedere keer of moest er steeds bij weg (Coe) 4. langs Hij gung de hele buurt of um neijaor te winnen (Dro) 5. doodmoe Ik bin of (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
af , òf , bijwoord , af
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
af , of , af. Hie is van de schoele of, hie mut an ’t wârk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
af , af , van , Ge zót’ter ‘n kiendje af kriige. Je zou er een kind van krijgen. Gezegd wanneer iets ontzettend gaat vervelen en maar niet ophoudt.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
af , af , tussenwerpsel , blijf van me af, hou je koest (tegen een hond)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
af , of , uitdrukking , of en an maok vrouw en man Een verkering, die uit gaat en later weer aan gaat, leidt vaak tot een huwelijk; Dat viel of Dat viel tegen; Ze was te punt of Ze was uitgeput
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
af , of , (als eerste lid van scheidbaar samengesteld werkwoord) af Giete errepels maor of Giet de aardappels maar af
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
af , of , (als eerste lid van een samengesteld zelfstandig naamwoord) af Zie ofdak, ofbraek, etc
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
af , er af zèìjn , kluts kwijt (hèìj ist’r af)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
af , of , (bijwoord) , af, klaar.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
af , of , 1. af (ook in samenstellingen); 3. op, versleten: schoon of.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
af , aaf , af, klaar , De knuip aaf höbbe: kapot moe zijn na inspanning. De sjötte van Thoear höbbe t’r achtieën aaf. Det is neet de kop aaf: dat valt nog mee. Det werk höb ich aaf. De vogel aaf höbbe: gezegd wanneer iemand een goede prestatie geleverd heeft. Doe bès aaf: je beurt is voorbij, gezegd bij spel. En dao is ’t mèt aaf. Oppe kop aaf. Van ziene tekst aaf zeen: afgeleid, in de war zijn.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
af , aaf , af , bijwoord, voorzetsel , "af / van; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Op krt.77 (van/ af) valt T juist in het 'af/aaf'-gebied; even zuidelijk heeft 'van' de overhand .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AAF - (thans geheel verouderde bijvorm van) af .WNT (suppl.) AAF (I) Deze vorm komt voor bij Marin (1717) en wordt opgegeven voor N.-Brab .1. af; Dialectenquête 1887 Willems – aafkèèke - afkijken; Van Rijen (1998): 'den grotsten hits is ur naa wèl aaf - hij is nu wel bekoeld.'; 2. van; - Wa zodde daoraaf zeggen ? (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘Vurreej’ , 1932); -Dè bericht sloeg in as 'nen bom! Baozel wier d'r stil aaf! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’n Staandbild in Baozel’;  feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 – 17-6-1939); ""Daor zeg ik niks aaf.”  (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938); Hij wier d'r wit aaf!  (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); 3. eraf, vanaf, er vanaf; D. Boutkan: (blz.41) 'aaf/af' als ww-deel; D. Boutkan: (blz. 41-42) afblèève - blèèft er aaf!; Gij wit er niks aaf = Jij weet er niets van .Blèèfder aaf? - Blijf je eraf?; Blèèfter aaf! - Blijf eraf!; Van Rijen (1998): 'ge wit ur niks aaf - je weet er niets van'; af: in de betekenis 'van'; ""Ik zal et wel slachten""; zee Jan, de slachter; ""en worst er af maoken!"" (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De mol van Baokel’, 1944)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
af , aa~f , af
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
af , aaf , afwaarts; gereed
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal