elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbreken 

afbreken , [verkopen] , afbreken , verkoopen, bv. van vee.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
afbreken  , aafbraeke , braek, briks, brik, brook, gebraoke , afbreken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afbreken , ofbrekng , werkwoord , de zang onderbreken, van vogels
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
afbreken , ofbreke , werkwoord , in de zegswijze ’t wordt bai je hande ofbroken, gezegd als men (voortdurend) tegenslag of tegenwerking ondervindt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afbreken , ofbrekken , brekken (brak) of, of ebrökken , afbreken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
afbreken , ofbreken , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. afbreken Wij wilt de schuur ofbreken (Gie), (fig.) Ie mut niet alles ofbreken, wat een aander döt (Hol), Het brak mie bie de handen of ging net mis (Bov), z. ook ofknappen 2. verkopen van vee (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij moet ’t harfst nog wal wat ofbreken, wij kunt het vie almaol niet bargen (Oos), Ik heb niks of te breken, ik wil ze holden (Exl), (fig.) Hij is an het ofbreken gezegd van een man op leeftijd (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afbreken , ofbreken , werkwoord , 1. afbreken 2. vee verkopen van een veestapel 3. afkraken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afbreken , ofbreeke , werkwoord , breek of, brak of, ofgebrooke , afbreken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
afbreken , ofbrèken , (werkwoord) , afbreken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
afbreken , [afbreken] , aafbraeke , afbreken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afbreken , aafbraeke , afbreken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal