elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afbrengen 

afbrengen , ofbrengen , afbrengen , in geschrifte afbrengen (Oldampt) = afvoeren van graan, enz. met den wagen, naar het schip dat het dan naar Groningen vervoert; de boeren bin an ’t ofbrengen.
als uitslag eener handeling; hij het’r goud ofbrocht = hij is goed weggekomen, hij heeft zijn doel wel bereikt. Vgl. ofredden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
afbrengen  , aafbringe , bring, brings, brink, brach, gebrach , afbrengen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
afbrengen , ofbrengen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. afbrengen Wij möt hum van dat rare idee proberen of te brengen (Pdh), Ik heb hum van de draank of ebracht afgeholpen (Bro), Zul e dat er wel goed ofbrengen? (Geb) 2. weghalen (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Bie het knaol graven mus ie eerst de smeerlaoge ofbrengen (Bco), ...boven ofbrengen (Ros)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afbrengen , afbrènge , sterk werkwoord , slagen; Ge hègget er goed afgebròcht - Je bent behoorlijk geslaagd; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFBRENGEN - ontwennen, afleeren: Wacht manneken, ik zal oe die leelijke manieren wel afbrengen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal