elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dijn

dijn , diin , diine , Tw. uw, uwe.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
dijn , dí’j , diin, di , bezittelijk voornaamwoord 2e persoon enkelvoud. Met nadruk zegt men: diin!Bij ’t heengaan bijvoorbeeld danke (of zeggedank) veur di (dí’j) koffi! maar, als iemand een moeder gevraagd heeft naar haar kind, dan is de wedervraag: en hoe is ’t met dienen jongen?
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dijn , dien , diende  , uw; het uwe, enz., van die = u; Gron. dien; dienent. diende = uwe; de diende = de uwe, of: den uwen. dienent = de, het uwe (enkv.). Van: die, en dit van: do.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dijn , dien , dienênt, dien’t, diender , uw, uwe, uwen, bezittelijk voornaamwoord enkelvoud; van die (u), als: mijn, van: mij; ook Drentsch, Limburgsch Zelfstandig gebruikt is het nog over in: ’t mijn en dijn. Kil. dijn, uw; Oostfriesch dîn, Engelsch thîne, Hoogduitsch deine, dein, Zweedsch, Deensch din, Middel-Hoogduitsch dîn, Oud-Hoogduitsch dîn, thîn, Gothisch theins. Verdam: dijn, bezitt. vnw van den 2den persoon, bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt. Middel-Hoogduitsch dîn, Oud-Hoogduitsch dîn, Gothisch theins, Hoogduitsch dein, Engelsch thy. (Verdam).
het bezittelijk voornaamwoord dien (uw) zelfstandig gebruikt; ’t is dienênt = ’t is het, of: de uwe; eveneens: ’t bin dienent = ’t zijn de uwe. Het woord blijft onverbogen. Zoo is mienênt of mien’t, van: mien (mijn); zienênt, zien’t, van: zien (zijn); heurênt, heure’nt, van: heur (haar); joenênt, joen’t, van: joen (uw, meervoud); onzênt, van: ons, onze, gevormd. Ook deze blijven onverbogen. (De e wordt weinig of in ’t geheel niet gehoord.) – ’t mienent en dienent = het mijn en dijn; ’t is al ik en mienent, zegt men van iemand die de woorden ik en mienênt steeds op de tong heeft, die zich gaarne iets aanmatigt, als bestuurder voordoet, waar hij slechts ondergeschikte is. Dikwijls hoort men het van oude huishoudsters. – Drentsch diende = ’t uwe, Friesch dijnes, Zuid-Limburgsch dient. Bij Vercoullie: dijnent met paragogische t, de dativus van ’t possesief dijn.
diender = uwer, als die van u. Zie: joender.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dijn , dien , jouw. Der diene,de jouwe.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dijn , dien , bezittelijk voornaamwoord , dienen, dien, dien: jouw. Dienen hoond (m.), diene musse (v.), dien kind (o.).
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dijn , dien , jouw
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dijn , dien , diende, dienend, dienende, dienen , bezittelijk voornaamwoord , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook diende (Zuidoost-Drentthe, Noord-Drenthe), dienend, dienende (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), dienen (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = van jouw Ik bin leiver dien karkenbouk as dien peerd (Bco), van jou, van u Het is almaol dienend (Vtm), Dat mes is dienende (Hijk), Dit is mien fietse en dat is diende (Nor), Dat is nich van mie, dat is dienen (Bco), zie ook oen, oende
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dijn , dienes , zelfstandig bezittelijk voornaamwoord , de jouwe (alleen in een enkel dorp gezegd)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dijn , dien , bezittelijk voornaamwooord , jouw (alleen in een enkel dorp gebruikt)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dijn , dien , (onzijdig) , het jouwe , Die moor stuit op ’t dien. Is dit t’r dien of t’r mien?: is dit het jouwe of het mijne? ’t Mien en ’t dien.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dijn , dien , diene , jouw. Dien bij vrouwelijke en onzijdige woorden enkelvoud én bij meervoud. Diene bij mannelijke woorden , Dien hoes: jouw huis. Dien kinjer: jouw kinderen. Dien vrouw: jouw vrouw. Diene man: jouw man. Mós doe altied diene zin höbbe?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal