elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deken 

deken , [dak] , deken , Heeft het huis een deken of een dak? vraagt men op veluwe. Een dak bestaat uit pannen, een deken uit riet of stroo. Van dit onderscheid weet men in Drenthe niets. Een dake is hier een dak van riet of stroo: voorts een pannendak, leiendak enz.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
deken , deke , Deken.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
deken , déken , (mannelijk) , deken (decanus).
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
deken , dèken , (mannelijk) , deken (decanus).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
deken , deken , (vrouwelijk) , dekens , deken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
deken , deken , (zelfstandig naamwoord) , meerv., in een vissersschuit; zie deek II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deken , deken , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. sleepdeken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deken , deek , (zelfstandig naamwoord) , Alleen in het meerv. deken. In een vissersschuit. Een gedeelte der bevloering; het vastliggende, langwerpig-vierkante samenstel van planken, waarmede de bun is bedekt en waarbinnen zich de met een deksel gesloten opning (de trog) bevindt, waardoor de vis in en uit de bun wordt gedaan. – Evenzo op Marken (Taalgids 4, 199). In Friesl. was vroeger het enkelv. deek in gebruik (HALBERTSMA 640 vlg.).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deken  , daeke , daekes , daekentje , deken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
deken , diäkkene , diäkken , vrouwelijk , later: diäkken: deken, strooien dak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
deken , dekn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dekns , deknkjen , deken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deken , Déêke , m , Deken [r.k.] D’n Déêke kwâm um ons te zegene. De deken kwam ons zegenen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
deken , déêke , v , deken
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
deken , dèken , 1. deken. 2. rieten dak.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
deken , dèken , hoofdpriester van een regio.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
deken , dekken , dekkentie , deken (zn.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
deken , deken , dèken, dekken , dekens , Ook dèken (Zuidwest-Drenthe), dekken (Pdh, Scho) = deken Mit dit wèer, nargens bèter as onder de dekens! (Hgv), Door lig een dèken snei op de schure laag (Bro), Wij gaot vanaovend vrog onder de dekens vroeg naar bed (Coe), Hij had gien deken meer op ber was arm (Eel), Bèrend is met Jantien onder de dèkens ekrèupen getrouwd (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deken , deken , 1. deken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: dak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
deken , dèèkn , dèèkntien , 1. deken. 2. riet of strodek op een dak. ’n Rietn dèèkn op ’t huus is ’s wienters wârm en ’s zomers koel; dèèkntien, dekentje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
deken , deeken , deken , Ge kunt de pot óp meej ‘n wólle deeken um. Je kunt de pot op met een wollen deken om. Je kunt me nog meer vertellen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
deken , deken , zelfstandig naamwoord , de 1. deken (voor op een bed) 2. fijne laag, vergelijkbaar met een deken 3. deken in r.k. zin
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deken , dêêke , werkwoord , dêêk, dêêkte, gedêêkt , aangespoelde rommel opruimen Ze bin ant dêêke Ze zijn de rommel aan het opruimen Zie ook vêêke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
deken , dèken , (zelfstandig naamwoord) , deken. Onder een wärme wollen dèken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
deken , deken , daeken , rieten of strooien dak; gestikte d(a)eken, beddesprei.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
deken , dieëke , (vrouwelijk) , dieëkes , dieëkske , deken , Die twieë slaope ónger ein dieëke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
deken , daeke , (mannelijk) , daekes , pastoor-deken
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
deken , deeke , zelfstandig naamwoord , deken; meervoud is deekes; Audioregistratie 1978 – “Mar wanneer dè gij, war, de Hòllanse schaope hèt, die groove, daor wier eigelek gin tèkstiel goed van gemòkt as heerestòf èn daamesstòf mar daor wier ok deekes van gemòkt, die waare gròf!” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
deken , daeke , daekes , deken
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal