elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deun

deun , doon , (doonder) voor digt, nabij. Hij woont doon bij de kerk, is dus: hij woont nabij de kerk, vlak bij de kerk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
deun , [strak] , don , (bijvoeglijk naamwoord) , strak, gespannen, digtbij, de ooren staan hem don aan het hoofd, zet ze er maar don tegen aan, het is mij zoo don in het hoofd.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
deun , deunen , deuntjes  , leugens; deunen allemaol! = allemaal leugens! deuntjes = leugentjes
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
deun , deun , in: deun an, of: deun bie (Ommelanden) = nabij, dicht bij, Zuid-Holland deun bij. Middel-Nederlandsch done, doon, doen, deune, deun = nabij, vlak aan, vlak bij, stijf tegen (Verdam). Oostfriesch dâne, döne, dân, dȫn, Nedersaksisch duun = nauw, dicht aanliggend; Oldenburgsch dune, Bremen duhne = nabij. In deze beteekenis is het in ’t Nederlandsch verouderd; thans bijvoeglijk naamwoord en bijwoord = gierig, inhalig, armoedig. De grondbeteekenis is: nauw begrensd, binnen enge grenzen beperkt. Volgens ten Doornkaat verwant met het Oostfriesch donen, Hoogduitsch dehnen, van: dinen, Groningsch dienen; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
deun , don , (dòn) , (bijwoord) , Strak, stijf. Weinig gebruikelijk. || Met de foezel (een visnet) strijkje don langes de grond, en daardoor vang je de korper; met de zegen zou ze je ontsnappen. As de snoek in de strik zwemt loopt-i don (loopt de strik dicht) en is-i ’evongen. Den kruynen gloyengen (van de dijk) wedersijds met heele groene speeten op te maken, wel net int verband geslooten, alles onder den lijn wel don aengevuld en sadt (verzadigd) van aerde, Hs. bestek dijkwerk (a° 1718), archief v. Assendelft. – Evenzo elders in N.-Holl.; ook in de zin van vlak bij; zie ook deun I. || Het touw is te don aangehaald; de schroef is te don toegedraaid; ’t is te don; ’t is niet don genoeg, Hs. Kool. Dronken waren we niet, maar ’t was don an, ald. De oren staan hem don aan het hoofd; zet ze er maar don tegen aan; het is mij zo don in het hoofd, BOUMAN 21. Vgl. nog Nieu Medembl. Liet-boeck (a° 1646), 160: “Vol en don van drincken en van eeten.” Vgl. voor het gebruik in Friesl. HALBERTSMA 710 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deun , deun , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Van deunen; zie aldaar. Alleen in de zegsw. ’t is een hele deun, ’t is een hele torn, ’t is moeilijk te volbrengen. – Evenzo elders in Holl. en Utrecht.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deun , deun , (bijwoord) , Thans verouderd. Daarnaast het nog gebruikelijke don; zie aldaar. – Deun aan, nabij, vlak bij, eigenlijk stijf tegen. || Adrichum ... is ... deun aende Wijckermeer gelegen, SOETEBOOM, S. Arc. 81. Maer ’et moeit ons meerder, om dat ’et soo deun aen ons geschiet en voorgevallen is, ald. 136. Desgelijks Jisp aan een watertje noch de Jisp genaamt, deunder aan Nek, ald. 451. Sy mochten niet veelen dat de heerlijckheydt van ’t Rijck der Vriesen hun soo deun aen de ooghen schemerde, SOETEBOOM, Stavoren 78. De Graeff van Hollandt liet sich veel aen Stavoren geleghen zijn, als welcke deunst aen Hollandt, de Poort van Frieslandt was, ald. 233. – Evenzo nog hogerop in N.-Holl. || Doon (of deun) an de weeg. vlak tegen de muur (Taalgids 1, 109). – Te Naaldwijk spreekt men van deun bij, dicht bij. – Ook in het Mnl. heeft doon, duen, don, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord de bet. van gespannen, stijf, strak; zie Mnl. Wdb. II, 283 en 290. KIL. vermeldt; doan, prope, juxta. In de algemene taal is deun, bijvoeglijk naamwoord, thans alleen nog in de zin van schriel, gierig, gebruikelijk. Zie over de oorsprong FRANCK op deun. – Zie verder deunen en vgl. deinen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
deun , deun , Det is ennen langen deun gewaes, dat heeft lang geduurd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
deun , doeën , dichtbij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
deun , [dicht] , deun , letterlijk: dicht. Iemand deun aan het hart liggen, in de gunst staan (1903). Ik zal het hem wel deun aan z’n schenen leggen, ik zal het hem wel goed aan zijn verstand brengen. Ook: nauwkeurig. Zo deun heb ik dat niet nagekeken.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
deun , deuntjes , dr deuntjes an hebm, er plezier aan hebben; op de deuntjes wean, in zijn schik zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deun , duene , op de duene wean, goed gemutst zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deun , deun , zelfstandig naamwoord de , Deun, toon, geluid. Zegswijze om ’n deun, om de haverklap. – Om (voor) ’n deun werke, bijna voor niets werken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deun , deun , bijvoeglijk naamwoord , Gierig. | Die kirrel is moin te deun. Vgl. don. Vgl. ook Fries deun.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deun , don , bijvoeglijk naamwoord , 1. Stijf, strak gespannen. | Die koe het ’n don jaar (= uier). 2. Strak, stevig. | De wind staat don. 3. Statig, deftig. | Ze zatte don an op z’n verjaarsfeist. 4. Dicht, vlak bij. | De eerappele stane don op de kant. 5. Gierig, vasthoudend. | Hai is puur don. Het woord dat in het Nederlands en Fries de vorm ‘deun’ heeft, gaat terug op een Indogermaanse wortel met de betekenis ‘spannen’. Zie het N.E.W., onder deun-2. Zegswijze don in ’t houfd weze, een strak gevoel in het hoofd hebben, hoofdpijn hebben. – De ore lègge ’m don an ’t houfd, hij is opvliegend. Eigenlijk gezegd van een paard dat de oren strak tegen de kop drukt. – Mit ’n don gat offerdan gaan, met de smoor in weggaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
deun , doën , vlak beej. (WNT sv deun II)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
deun , deun , de , deunen , Meestal verkl. = 1. deun(tje) Zing er mor een deuntie veur (Nor), Hij reerde een deuntien (Ruw), Hij ken wel een mooi deuntje vertellen verhaaltje (Eco), Hij mot een deuntien lèger zingen toontje (Nsch), Hij zingt altied het zelde deuntie vertelt altijd hetzelfde (Die) 2. grap (wb) 3. leugen (wm) Deunen allemaol allemaal leugens
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deun , don , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (N:Nsch) = opgezet, opgezwollen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deun , don , de , (Zuidoost-Drents zandgebied) = dik kind Tegen dikke kinder wuur wal ies dikke don zegd (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
deun , deun , deune , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , zie ook dunne 1. overdreven zuinig, gierig of bijna gierig 2. dichtbij, vlakbij, dicht tegen, haast tegen iets of iemand aan 3. in deun toekieken sip
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deun , deun , zelfstandig naamwoord , de 1. deun, wijs 2. saaie, vervelende wijs
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deun , duntje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , Henk van Rijen: deuntje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal