elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: die 

die , dèn , aanwijzend voornaamwoord: dèn (man- en vrouwelijke) dat voor die, soms ook versterkt met daô (daar), dèn daô.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
die , dee , die, als aanw. en betr. vnw, Gron. dei.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
die , dei , dij, deie, deient, deies, deider, dijder , die (aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord) Vervoeging (van ʼt aanwijzend voornaamwoord) dei, deies (of: van deie), dei, dei; meervoud dei (ook: deient), deies (van dei, en: van deient), dei, (deient) dei, (deient). – Op de vraag: wels pen is dat? (van wien of van wie is die pen?), is het antwoord: ’t is deies, of: da’s dei zienent = da’s dei jong (of: dat wicht) zienent. Vraagt men: wel wassen d’r al? (wie waren daar al?) dan hoort men hierop bv.: Kloas en dei (Oldampt deient), zooveel als: Klaas en zijne makkers, of ook = zulke soort van jongelui; te Grijpskerk: Meester en dei = Meester en zijne vrouw. – Friesch Gosse en dei = Gosse en de zijnen; op Marken: Jansen ’n tie = Jansen en zijn huisgezin; Burgemeester ’n tie = de Burgemeester en zijne partij (Zie Taalgids 1863 p. 202.) – De uitdrukking: dat het dei (bv.) Jan doan = dat heeft Jan, wel bekend, weer uitgevoerd, sluit steeds eene beschuldiging in, en komt nagenoeg overeen met het gebruik van het lidwoord, vóór eigennamen, in ’t Duitsch, bv.: den Karl will ich gar nicht sehen. Vgl. ook het Nederlandsch: waar zit die Jan toch? Waar mag die Jantje toch gebleven zijn?; dei wordt wel aanwijzend voornaamwoord overtollig gebruikt. bv. in: dei man dei lopt te bedêln; de deur dei wil nijt dicht; mien bruier dei is in Oamerikoa; de mensen dei zeggen dat hij dood is; Hinderk dei wijtʼr niks van; Pijt dei is guster weggoan, enz. Vroeger zeer gewoon, ook nog o.a. te Axel, Sint Truyen, enz. Zie ook Gen. 18: 22, en vgl. dat.
deie = die, zonder zelfstandig naamwoord; ik mijn deie = ik bedoel die (of: dien), is deie ’t ook? (kan dat ding het ook zijn?); disse en deie bin hoast geliek
deient, meervoud van: dei, deie;
deies = van die, van dien.
deider, dijder voor: die, deze, in: van deider dikte, bredte, högte, grootte, en gaat steeds met eene beweging van hand of handen gepaard. Eveneens zegt men: van miender, ziender, heurder, joender older, enz., zoo oud als ik, hij, zij of gij.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
die , dieder , (voornaamwoord) , zie die.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
die , die , (aanwijzend voornaamwoord) , onzijdig dat; daarnaast datte. Zie de wdbb. || Wie is datte? Mag ik datte hebben? Evenzo bij de 17de-eeuwse Hollanders (vgl. NAUTA, Aant. op Bredero, § 91) en in het Mnl. (Mnl. Wdb. II, 78 vlg.; VAN HELTEN, Mnl. Spraakk. § 349). – In de uitdr. van dieder grootte (lengte, enz.) van die grootte, enz., zal dieder wel staan voor diere, de oude 3de naamv. vrouwelijk van die. – Dat wordt ook bijwoordelijk gebruikt in de zin van die kant (die plaats, richting). || Gaan je meê dat op. Ik ben dat langes ’ekomme. Ze gong dat heen. Evenzo elders in Holl. Ook reeds in de vroege taal; zie VAN HELTEN, Vondel’s Taal, § 154, Mnl. Wdb. II, 79. Vgl. het gebruik van dit op deze.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
die , deie , zie disse * (bldz. 512.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
die  , dae , degene, die.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
die  , die , dewelke.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
die , dei , aanwijzend voornaamwoord, vrouwelijk , die. Vån deider grötte [grœt̥ә]: van die grootte
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
die , den , aanwijzend voornaamwoord, mannelijk , die
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
die , dee , aanwijzend voornaamwoord, vrouwelijk enkelvoud en meervoud , die. Van dee dr …, van zodanige …; … en dee, … en de zijnen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
die , dee , betrekkelijk voornaamwoord, vrouwelijk enkelvoud en meervoud , die, vaak met ’t
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
die , den , aanwijzend voornaamwoord, mannelijk enkelvoud , die
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
die , den , betrekkelijk voonaamwoord, mannelijk enkelvoud , die
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
die , die , v , vrouw De die en d’n dieje Die vrouw en die man; de die daor en d’n dieje zij en hij daar; d’n dieje en de die die man en die vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
die , dieje , man Dn dieje en de die Die man en die vrouw; de die daor en d’n dieje zij en hij daar; geld Héj hét nog al wa van d’n dieje geldbeweging met de vingers makend.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
die , dij , die
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
die , die , dieëns, dieës , aanwijzend en betrekkelijk voornaamwoord , Die. In het Westfries wordt ‘die’ vaak gebruikt i.p.v. ‘dat’. | Wie is dat moidje? Die ken ik niet. Kè je dat kirreltje die deer zit? Verbogen vorm, zelfstandig gebruikt, meervoud dieë(n)s | Dieë(n)s benne van m’n vader.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
die , deen , di , die.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
die , dieje , zelfstandig naamwooord , (den) geld, persoon. 1. As ge van d’n dieje (gebaar van geld tellen) genòg hèt kunde overal terèèchte. Als je genoeg spie hebt kun je overal terecht. 2. D’n dieje deugt van gin kante. Hij daar deugt van geen kanten. Vrouwelijk: De die.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
die , dieder , voornaamwoord , van die, van haar. Diedere mins is kaaj gèk. Die man van haar is goed gek.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
die , denen , denne, dent , die, gindse.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
die , denne , die.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
die , dent , die (aanw. vnwd.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
die , dieder , van die.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
die , den , dende, denden, dendend , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Zelfst. gebr. ook dende, denden, dendend = die Moej den stumper ies zien (Sle), Mosse dussen habben? Nee, denden (Nsch), Den hef het daon, ik heb het zölf zeein (Eex), Moej die kerel nou zeein, dennend wil de nak zeker breken (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
die , die , dei, diee, dieje, dieder , Ook dei (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), (Noord-Drenthe). Bij bet. 1. ook diee, dieje, dieder 1. (aanw. vn.) die Dei man ken ik nait (Zui), Dei fietse, dei is van hum (Bco), Moe’k die hebben? Nee, dieje (Dwi), Dei ziende hef een touw um horens die (koe) van hem (Ros), Het is een stuk holt van dieder lengte en dieder bredte (Sle), Oh deie, dei heb ik nog nich eerder zein (Bov) 2. (betr. vn.) De man, die dat daon hef, is der niet (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
die , diende , aanwijzend voornaamwoord, meervoud , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = die Nee, dissen meuj niet hebben, maar diende (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
die , dij , die, dai , bij do etc. (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook die (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied), dai (Kop van Drenthe) = jou Ik heb dij neet zeein tegen een vrouw (And), Ik heb die toch zegd, dat ik nich mitgao (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
die , dieje , diegene, d’n dieje, die moet ik nie!, hem moet ik niet.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
die , diy , die.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
die , die , die
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
die , dieje , die , D’n dieje is nog nie de slééchtste, héij is ècht nie zó sléécht és'sie'jer ût zie. Die man is nog niet de slechtste, hij is echt niet zo slecht als hij er uit ziet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
die , dienend , dienen, dieden, diedend , zelfstandig aanwijzend voornaamwoord , die personen, die exemplaren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
die , dieje , aanwijzend voornaamwoord , nadrukkelijke vorm bij die, bijv.: Ik heb disse liever as dieje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
die , die , voornaamwoord , ter vervanging van een eerder gebruikt zn., bijv. oonze hond en die van de buren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
die , die , betrekkelijk voornaamwoord , 1. als inleiding op een beperkende bijzin, bijv. De meensken die heur opgeven hebben (...); van wie in verband met een bezitsbepaling, bijv. boeren van die heur bedrief onbezwaord is 2. id. op een uitbreidende bijzin, bijv. een heerschop, die daor krek langes kwam 3. de persoon die
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
die , die , aanwijzend voornaamwoord , 1. die, i.t.t. deze; ook i.t.t. iemand of iets verderop 2. enkelvoudig aanwijzend: die persoon, die zaak 3. gebruikt om nadruk te geven, bijv. Die vrouw is niet wies! 4. in van die zulke, bijv. van die vremde dingen 5. als herhaling van het onderwerp, bijv. Die jonge die lopt (...)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
die , dieder , aanwijzend voornaamwoord , dergelijke (grootteaanduiding met gebaar) ’t Was een hond van dieder grôôtte Het was een hond van deze grootte
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
die , dieje , aanwijzend voornaamwoord , die, deze, dat (met wijzend gebaar) Den dieje isset Die is het Ook diene; ’t Gaot altijd om d’n dieje Het gaat altijd om geld
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
die , diene , aanwijzend voornaamwoord , die Den diene isset Die is het Zie dieje; D’n diene Geld Ik werrek nie voor niks, maor om d’n diene Ik werk niet voor niets, maar voor het geld Aster nôôm komp te sterreve trek’ ze van d’n diene Als haar oom komt te sterven erft ze geld
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
die , dieje , diegene
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
die , diej , 1. die; 2. die, gindse , Dees dinger nie, mèr diej dôr mádde hébbe. Deze dingetjes niet, maar die daar mag je hebben., Oo, de diej. Oh, die vrouw. , Oo, d’n dieje. Oh, die man.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
die , dee , diejen , die; den diejen, die daar.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
die , dae , die (mannelijk, enkelvoud) , Dae kaerel. Dae stool. Dae of dae: deze of die.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
die , die , aanwijzend voornaamwoord , die; wordt bij zelfstandig gebruik voorafgegaan door een lidwoord: den dieje, de die, dieje meens, diejen aovend, diejen boek; Cees Robben: nèt as den dieje; zi dieje meens; den dieje daor; Cees Robben: ongelèèk is er bij die van mèn (= mijn vrouw) nôot bij; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Veel hoort men hier 'de die' met nadruk, in tegenoverstelling van 'de andere' of een soortgelijk woord. Z.a. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEDIE vrnw. : m. dendieë(n), dendee(n); o. (he)tda(t), (he)tedatte(n); v. en mrv. dedie - Fr. celui-là - die; dieje; die; den dieje (eventueel met telgebaar van duim en wijsvinger) - geld, contanten; agge den dieje mar genog hèt!; Cees Robben – “Kek diejen bok is..!” ... (19560317); Cees Robben – Diejen stobbernist... (19601104) [omdat ‘nist’als mannelijk wordt beschouwd]; Cees Robben – Kik-is-eens-aon... Wè diejen meens nog gezwakt is... (19681115); Cees Robben – Hoe hiet dieje meens, moeder... (19711001); Cees Robben – Dieje weg (...) die rèèchtevort naor ’t geboer van de Van de Braante lopt... (19791102); Cees Robben – Dieje aauwe Sjassee daor (19840302); Cees Robben – [Vrouw bij marktkraam:] Dieje appel is zôô rot as ’n mispel, Martien ... (19811009); zie d’n dieje [den dieje]; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – den dieje die daor ònkómt; dije mis; dije mïs; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – we zón dije put in en uur kunne vóldoen; D. Boutkan: 'Wie ...? Oen dieje die daor ònkomt.' - Degene die ... (blz. 95); zelfstandig naamwoord; geld; altijd voorafgegaan door 'den', en begeleid door het gebaar voor 'geld' (toppen duim en wijsvinger over elkaar gewreven); Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Et ging oover den diejen, hè…meer gèld…nòdderaand hèbbe ze dè gedaon gekreege, zo stillekes aon, hè.”; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – dieje (den) - geld; den dieje; een bepaald iemand die eerder genoemd is; Cees Robben – Om meej d’n dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe... (19641106); dies; tweede of vierde naamval van ‘die’: daarom, om die reden; plechtstatig gebruik; Cees Robben – Dies verzuuk ik oe ootmoedig (19660916) [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop]
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal