elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dienst 

dienst , deenst , dienst, Gron. dijnst.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dienst , dijnst , dienst; tot joen dijnst! of: da’s tot joen dijnst! wordt gezegd door hem (of: haar) die een ander iets geleend of een kleinen dienst heeft bewezen, als deze zijn: dank joe, of: ie wor’n d’r veur bedankt heeft uitgesproken. Spreekwoord: Anboden dijnsten wor’n nijt rekend (aangeboden diensten worden niet op prijs gesteld), zegt men, wanneer aangeboden hulp wordt geweigerd. – op dijnst goan = gaan dienen, dienstbode worden. Zie: dijnen. – in dijnst goan = in dienst treden; onder dijnst goan = soldaat worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dienst , densten , (Westerwolde) = dienstboden; “Nee, ’k mag nich meer, zee Haode, dei mit de andere densten al brij eten har.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dienst  , deens , dienst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dienst , deanst , mannelijk , dienst. Oonder deanst: in militaire dienst
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dienst , dienst , in de lange dienst gaan, gaan trouwen. Zegswijze onder de Leidse dienstmeisjes.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
dienst , diens , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dienst. Eenn nen diens doon, iem. een dienst bewijzen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dienst , densten , (ouderwets), dienstboden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dienst , dienst , zelfstandig naamwoord de , Ook: dienstbetrekking (verouderd) Zegswijze dienst anje!Strek je! Als twee personen uit één glas dronken, zei de een – na eerst zelf een teug te hebben genomen – ‘Dienst an je’, waarop de ander het glas overnam en antwoordde ‘Strek je’ (of: ’t Strek je) = het strekke je tot eer. Verkleinvorm diensie. Dienstbetrekking (verouderd) | Het ze al ’n diensie?
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dienst , dienst , deenst, deeinst, deinst, dainst , diensten , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook deenst (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), deeinst (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), deinst (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), dainst (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. mil. dienst Oenze kleinzeune is onder dienst en lig hielemaole in O. (Koe), Ik maak de dienst oet hier in hoes (Exl), Hij is vrij van deinst (Vri) 2. betrekking Het wicht mus vro op de dienst al jong gaan dienen (Sle), Wij hebt een knecht in dienst, die hef twee linker handen (Dro), Die giet de lange dienst in trouwt (Geb), Hej jo dienst al opzegd?(Pdh), Wat een mooie, stevige meid, die is klaor veur de deenst, dat wi’k oe belaoven geslachtsrijp (Rui) 3. bewezen dienst Hij het hom een goie deinst bewezen (Eel) 4. kerkdienst Die dainst begunt om tien uur (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dienst , dienst , dîênst , 1. dienst; 2. betrekking. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: dîênst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dienst , diens , 1. dienst (betrekking). Die deerne hef daor ’n meraekel beste diens. 2. dienst (gunst). Iej heb mien ’n goeje diens edaon. 3. dienst (militair). Ik bin in diens ewes bie de huzaern van Boreel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dienst , dienst , zelfstandig naamwoord , de 1. het dienen (bij iemand, in een ondergeschikte positie) 2. betrekking als dienstmeid of als knecht, vaak bij een boer 3. militaire dienst 4. functie 5. kerkdienst 6. uitoefenen van werkzaamheden in een bep. tijd 7. handeling die men ongevraagd of gevraagd (maar dan niet als werk) voor een ander verricht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dienst , [betrekking als hulp] , diensien , diensjen , betrekking als hulp in de huishouding.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dienst , deens , deenst , (vrouwelijk) , deenste , 1. dienst 2. militaire dienst , Dao bewies se mich geinen deenst mèt.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dienst , dins , dinste , dienst
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal