elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: diep 

diep , diep , stroom, vaart; Peizer-, Eelder-, Drosten-, Loodiep. Gron. dijp, een kanaal vooral ten dienste der scheepvaart, bv. Damster-, Schuiten-, of Winschoter-, Boterdiep, enz.; Friesl. Kolonelsdiep, Dokkumerdiep; Overijs. Zwolsche diep; NHoll. Nieuwediep. – ZHoll. diep = water, rivier, daarvan Hollandsch diep. Oostfr. dêp, trekdêp, Deensch diep = kanaal. Het woord zal staan voor: diepte, het diepe, HD. Tief.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
diep , diep , deep , (bijvoeglijk naamwoord) , d(i)eepe , diep.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
diep , dijp , daip , (= diep, ook zelfstandig naamwoord) = daip (Ommelanden) = kanaal, vaart, inzonderheid een kanaal ten dienste der algemeene scheepvaart, ook al zijn het ten deele vergraven riviertjes; overigens heeten de kanalen alleen voor de afwatering gegraven tocht, tochtsloot, moar, of ook: kenoal. In deze provincie zijn de voornaamste: Raidijp (met den klemtoon op: dijp) = Reitdiep, Loopende diep of Hunse; Winschoterdijp = Schoetendijp (= Winschoter- of Schuitendiep); Houndijp (Hoendiep); Damsterdijp (Damsterdiep); Botterdijp (Boterdiep); Beemerdijp (dat gedeelte van Onderdendam naar Bedum); Winsemerdijp (van Onderdendam tot Winsum); Auwerderdijp (Aduarderdiep); Ooster- en Westerdijp (te Veendam en Wildervank); Pekelderdijp (de A van Pekela tot Winschoterzijl); Zieldijp (van Scheemda naar Termunterzijl, het Zijldiep); Slochterdijp, Beesterdijp, enz. – trekdijp = trekvaart, eigenlijk: een kanaal langs welken de schuiten en schepen getrokken worden; an ’t trekdijp wonen = aan zulk eene vaart wonen, alleen door een’ weg of een pad er van gescheiden; dijpswal of daipswal (klemtoon op: wal) = de boorden, ook: de bermen eener vaart; op dijpswal wonen = in een dorp aan eene vaart wonen. Ook de plaatsnaam Diepswal komt in deze provincie voor. Zegswijs: veur hōm (of: heur) deur ’t dijp goan = alles voor hem overhebben, voor hem door het vuur gaan. “Dous ’t noa mie vrijste, hest rais ’n moal tegen mie zegd wolte veur ’n smok van mie wel deur dijp loopen”. Ook andere provinciën kennen dien naam, gelijk uit het volgende genoegzaam blijkt. Drentsch diep = stroom, vaart; aldaar: Peizerdiep, Eelderdiep, Drostendiep; maar: Smilder –, Beiler –, Hoogeveensche vaart, en: Oranjekanaal, enz.; Friesland Kolonelsdiep, Dokkumerdiep, maar: Nieuwe vaart, Compagnonsvaart, enz.; Overijselsch Zwolsche diep; Noord-Holland Nieuwe-Diep; Marsdiep; Zuid-Holland Hollandsch diep; aldaar: diep = water, rivier. De oude benamingen zullen ongetwijfeld blijven bestaan, maar overigens zal: diep door: kanaal, of: vaart, vervangen worden. ’t Woord zal staan voor: diepte, het diepe, Groningsch ’t dijpe, en zoo: ’t dijp. Middel-Nederlandsch diep = vaarwater, haveningang, kanaal. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
diep , diep , duup , (bijvoeglijk naamwoord) , Daarnaast soms duup. Zie de wdbb. || ’t Is hier lekker duup. – Vgl. diep inliggen op inliggen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
diep  , deep , diep
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
diep , deipe , diep
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
diep , deepe , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , diep. Dr deepe duur goan, diepzinnig redeneren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
diep , daip , 1. diep. 2. kanaal
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
diep , daip , TL 147: “Schertsend, als er haast is: Gaauw, hèlp, der zit ’n jeude in ’t daip.” Vgl. 374 twee scheidversjes: “Oeterdetoet, zit ’n jeude in ’t daip; / Lòt hom moar verzoepm, / Van ik help hom nait. / Hèlp, hèlp! zit ’n jeude in ’t daip. / Ik hèlp hom nait, / Van hai verzopt nòg nait.”
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
diep , diep , deeip, deep, deip, daip , diepen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook deeip (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), deep (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), deip (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), daip (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = 1. (vaak verkl.) stroompje Het Schombekker diep wördt brieder maakt (Pdh), Het olde diep löp an de noordkaante van ’t Hogeveine (Hgv), Het volk is hen deeip maoken stroom schoonmaken (Taa) 2. kanaal (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Hij is in het deip terecht kommen (Bco), Het daip lig dicht er ligt ijs op (Eco), zie ook wiek I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diep , diep , deeip, deep, deip, daip, diepe , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook deeip (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), deep (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe), deip (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), daip (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), diepe (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = diep Ie mun niet zo diepe graven (Mep), Dat stroompie was aordig deip (Pei), Ik wol vandaog an het bouwen, de akker zal deip om diep ploegen (Vri), Die zit diepe in de schulden (Wsv), Het waoter zit daip vort (Zui), Ik moet ies even deeip naodenken (Gie), IJ moet niet zo diep hoesten (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
diep , diepe , dîêpe , (Kampen) diep. Ook: dîêpe (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
diep , diepe , diep.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
diep , diepe , diep , bijvoeglijk naamwoord , 1. diep 2. indringend, vaak: wat de gemoedsaandoening betreft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
diep , diep , zelfstandig naamwoord , et; oude, natuurlijke waterloop, vooral als waternaam voor twee riviertjes waartussen Oosterwoolde ligt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
diep , díép , diep
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
diep , diepe , 1. bn., diep. Dät zwembad is diepe. Een diepe putte; 2. zn., waar het diep is. Ik gao int diepe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
diep , deep , deper, deepste , diep , Ein depe straot: een holle weg. Aan de ieëste depe straot nao de Baarstraot liktj ’t kepelke van St. Rochus.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
diep , diep , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. bijvoeglijk naamwoord . diep = niet hoog; WBD diepe koej - koe met korte poten; 2. bijw. Ver weg, achteraf; De Wijs – Ze wônen zô diep in, as ge denkt degger zèt, zedder nog bij langenao nie… (16-01-1975)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
diep , daep , daeper – dips – dipste , diep
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal