elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dier 

dier , deers , dieren, met name paarden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dier , dier , (onzijdig) , diere , dier.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
dier , dier , (onzijdig) , diere , dier.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dier , dijr , dijer , dier; ’t is ’n dijr, zegt men van een bewegelijk, lichtgeraakt meisje; ’n nuver dijr = een aardig, lief, mooi meisje; ’t is nog moar ’n dijr = nog maar een klein meisje. Oudtijds dier voor meisje, vrouw. Bij Vondel, e.a.: dier, diertje = meisje, dienstmeisje. In de eig. beteekenis gebruikt men het inzonderheid voor: paard; ’t is ’n mooi dijr; ’n mak dijr, enz.; van hoornvee heet het: ’n mooi bijst, enz. Ook in ’t algemeen voor paarden, hoornvee en schapen; in dat land is niks te vreten, ken gijn dijr leven; men zigt nog gijn dijr in ’t land. Middel-Nederlandsch dier = levend wezen in ’t algemeen, doch de beteekenis heeft zich verengd tot jong levend wezen van het vrouwelijk geslacht, meisje (Verdam). Spreekwoord: ’n Rentenijr is ’n arm dijr = de rentenier heeft het niet zoo volop als een boer, is, met dezen vergeleken, arm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dier , dier , (onzijdig) , Wat groot van omvang is, kokkerd. Wat ’n dier van ’n appel! Wat ’n dier van ’n nöze hef d(i)ee G(e)tjan (Gerrit Jan). Wat ’n dier van ’n haze! Zon dier van ’n kenîne hewe eslacht (met een gebaar).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
dier , dier , (onzijdig) , Wat groot van omvang is, kokkerd. Wat ’n dier van ’n appel! Wat ’n dier van ’n nöze hef d(i)ee G(e)tjan (Gerrit Jan). Wat ’n dier van ’n haze. Zon dier van ’n kenîne hewe eslacht (met een gebaar).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
dier  , deer , dier.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dier , deer , onzijdig , deere , deertien , groot exemplaar, dier. ’n Deer vån nen appel: een heel grote appel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dier , deer , zelfstandig naamwoord, onzijdig , deers , deerkn , dier; n deer van n …, een hele grote …
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dier , dier , deer, dèer, deier, daier , dieren , Ook deer (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied veroud.), dèer (Zuidoost-Drents zandgebied), deier (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), daier (Veenkoloniën) = dier Ie kunt wel gek wezen mit een dier, maor het is gien mèense (Hgv), Dat daier is zaik (Eco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dier , dier , dier
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dier , dier , zelfstandig naamwoord , et 1. dier, beest 2. aantrekkelijke vrouw, aantrekkelijk meisje 3. rotmens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dier , diejer , dier
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dier , dier , dier, meerv. dieren en diers.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dier , deer , (onzijdig) , dere , deerke , dier , Det is ein erm deer bie dae kaerel. Waat ei(n) lekker deer, dao wól ich waal ins mèt oetgaon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal