elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dikte

dikte , diekte , dikte.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dikte , dikte , zelfstandig naamwoord , de 1. het dik zijn 2. de afmeting dik 3. wijze van dik zijn van vloeistoffen e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dikte , diekumsa , die omvang, dik , Ria hi ’n kónt van diekumsa. Ria heeft een kont met die omvang. Meestal wordt dan met de handen de grootte aangegeven.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
dikte , dikdje , (vrouwelijk) , dikdjes , dikte , Die plenk zeen in versjillendje dikdjes te kriege.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dikte , diekte , dikte
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal