elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ding 

ding , hul-tink , Tw. vergadering der boeren in de marke. Ting, raadsvergadering. Holt, woud. Zie Haltaus op holzding.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ding , ding , voor: zaak; “Sanmeui zag ’t ding aans inGron. da’s ’n ding! = ’n dik ding = ’n hijl ding = eene belangrijke zaak, een heele daad, eene groote som; proat mie nijt van dingen! zooveel als: wij weten er alles van, zwijg maar over die zaak, voor ons is zij als uitgemaakt te beschouwen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ding , wat ding? , zie: wat goud.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ding , ding , voor: zaak, daad, onderneming, enz.; da’s ’n ding (met sterken nadruk op het woord), zooveel als: een heele daad, iets groots, iets buitengewoons, altijd in goeden zin; ’t wordt ’n dik ding = dat kost veel geld, vooral wanneer het groote vertimmeringen of aankoop eener groote boerderij betreft; ’n mal ding = eene netelige, leelijke, ergerlijke zaak; ’n mooi ding = eene aangename of voordeelige zaak of betrekking. Spottend beteekent: ’n mooi ding! of: mooie dingen! zooveel als ’t ironische: dat is wat moois! Da’s ’n goud of: ’n best ding = dat is eene goede zaak, een uitstekende maatregel.
voor: klein meisje: ’t is nog moar ’n ding = zij is nog heel klein; ’t was nog moar ’n ding, dou kōn ze al braiden. – Ook als de 2de beteekenis van dingereis. En voor: dingetje, klein voorwerp: da’s jà ’n ding = dat is immers een ellendig ding omdat het zoo klein is, ik kan het daarom niet gebruiken; zoo’n ding, wat zel ’k doar mit anvangen! Ook = voorwerp dat iets kan bevatten; dou dat in ’n ding, den komt’ nijt weg = doe dat (bv.) in een doosje, dan gaat het niet verloren: krieg even ’n ding oet de kast en dou doar de sukker in. (klemtoon op: ding).
dingen, in de uitdrukking: proot (of:proat) mie nijt van dingen! Ook: wat proat je mie van dingen! zooveel als: spreek maar niet over die zaak, wij weten er alles van; ook: val mij daaromtrent niet lastig, gij krijgt het niet van mij. Eigenlijk: spreek maar niet over die dingen (= zaken).
dinkie (Goorecht) = dinkien (Groningen) = dinktje = dingetje, verkleinwoord van: ding; da’s ’n nuver dinkie; dat dinkie heb ’k verloren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ding , ding , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In verkl. dinkie. Zie de wdbb. || ’t Is ’en vlug dinkie (een aardig meisje).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ding , ding* , ’n goud ding, ’n best ding = een goede zaak, een uitstekende maatregel; meervoud dingen*, zoo ook: wat proat je mie van dingen!
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ding  , dink , ding.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ding , deenk , onzijdig , dinge , ding
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ding , deenk , zelfstandig naamwoord, onzijdig , dinge , dingsken , ding. … en dinge, … en zo meer; Weetn van dinge, geen groentje meer zijn; wat wee-r iej van dinge, wat weet jij daar nou van
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ding , ding , o , ding Dé’s ’n aardig ding.; meisje wá’n lekker ding war! ’n hél hèl ding. Wat een lekker meisje he, ’n kranig meisje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ding , ding , zelfstandig naamwoord , spul, ding. Als het om een meervoudig begrip gaat wordt er een s of er achter gevoegd. Tast mar toe jonges, d’r is dings genòg (er is van alles genoeg). Wie hè die dinger daor nirgemieterd? Wie heeft die spullen daar neergesmeten?
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
ding , ding , dink , dingen, dinger , Ook dink (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. ding Hest doe dat ding ok zein? Wie bunt hum al een weke kwiet (Bco), Zint die hoezen zo duur? Het zint jo mor dinger kleintjes (Sle), Alle dingen hebt twee kaanten (Die), Het is een ding van niks (Dwi), Het is een goed ding, dat ze dat doen (Klv), Klaaine dingen worden ook groot (Eco), Ik wol um een lief ding dat hie helpen kun (Wsv), Eén ding moej niet vergeten, ze is arm (Wee) 2. meisje Het is maor een klein ding, maar ze is goed bij (Noo), Degelijkheid zat er veur gien cent ien det dink (Rui) Daor ging een dingsien over de brug / Het had drei kanten en gien rug roggekorrel (db)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ding , ding , meisje. mv. dingen en dinger. Het laatste mv. gebruikt men als met minachting over een meisje wordt gesproken.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ding , dingen , ding. heeft een ruime betekenis zonder goed nedl. alternatief. ’t dingen sti schòn te vèld, het veldgewas staat er goed bij. doet oe kooi dingen aon, doe je oude kleren aan. ’t is goei dingen, dèt ie verkùpt, hij verkoopt goede waar. hij wit z’n dingen goed te doen, hij doet zijn werk goed.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ding , dink , dingen , dinggien, deenggien , (verkleinwoord dinggien / deenggien (Kampereiland)), 1. ding; 2. pittig klein kind
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ding , dings , van alles , De jóng hébbe dings genóg én nog weete ze nie wór dés'se meej moete speule. De kinderen hebben van alles genoeg en nog weten ze niet waar ze mee moeten spelen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ding , ding , dinkien, deengien, dingegien, dingien , zelfstandig naamwoord , verkl.: et 1. ding 2. vrouw, vaak ook: klein meisje 3. aangelegenheid, bep. kwestie 4. gebeurtenis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ding , ding , zelfstandig naamwoord , dingers , dingechie, dingchie, diñchie, dêêñchie, dêêchie , benaderd tijdsbestek Nog een jaer of een ding en dan ken die nie meer lôôpe Nog ongeveer een jaar en dan kan hij niet meer lopen; Een dag of een ding Binnen enkele dagen (ook een week of een ding, een jaer of een ding); dingers dingen, voorwerpen Neem die dingers maor weer mee; dingechie dingetje ’t Is nog maor een klaain dingechie Het is nog maar een klein meisje Ook diñchie, dêêchie, dêêñchie; diñchie 1. dingetje 2. [O] maatje van 2 deciliter Een dinchie erte Een maatje erwten; dêêñchie, dêêchie dingetje, kleinigheid Ze is voor d’r leeftijd maar een klaain dêêñchie Ze is voor haar leeftijd maar een klein ding
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ding , dink , (zelfstandig naamwoord) , ding, voorwerp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ding , dieng , ding , da’s ’n lekker dieng jô = dat is een leuke meid-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ding , ding , dingeske , dinger , 1. meisje, dametje; 2. in dè’s nie mén ding dat is niet mijn specialiteit. 3.ding , Wá’n lèkker ding dôr! Wat een lekker meisje daar! Ze is dan knap en aantrekkelijk., Ge bént ’n lèkker ding, gèij! Je bent een mooi dametje, jij! Ze is dan koppig en geniepig. Een eufemistische uitdrukking., Wá’n schrôl dingeske. Wat een mager meisje.; Dè’s nie mén ding. Daar heb ik geen verstand van., Pa, kénde gèij ’n par dinger vur mén uitzuujke? Pa, kun jij een paar dingetjes voor mij uitzoeken?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ding , diengers , zelfstandig naamwoord, meervoud , dingen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ding , dink , (onzijdig) , dinger , dingske , ding , Det is ein erm dink noe zie moder doead is: dat is een arm meisje nu haar moeder dood is.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ding , ding , zelfstandig naamwoord , dinger , ding; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - alle ding meej vriendschap, zi goovert swèls dèttie d'aajer bè den buurman öt den nist naam (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972); D. Boutkan: verkleinwoord: dingske (blz.53) of dingetje; dinger; meevoud dingen; Cees Robben: Wij zèn in Riel schónder dinger gewènd; Henk van Rijen: in dieje winkel hèbbe ze duuzendterhaande dinger; D. Boutkan: dinger (blz.54); GD05 dè kan twee dinger betêekene; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; dinger: wie hè die dinger daor nirgemieterd?
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
Ding , Ding, het , sculptuur op de Coolsingel voor de Bijenkorf (1957) van Naum Gabo (1890-1977)
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
ding , dink , dinger , dingske , ding
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal