elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dochter 

dochter  , dochter , döchter , döchterke , dochter.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
dochter , dochtr , zelfstandig naamwoord , dochtrs , dùchtrken , dochter. N eenn kuemp um de dochtr, n aandrn um de moo en n doardn um alle baejde, de een wil dit, de ander dat en sommigen alles
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dochter , dochter , de , dochters , dochter As er een dochter trouwt, dan kriej er een kiend bij, maar as een zeune trouwt, bi’j der ene kwiet (Hol), Die hef de dochter verdiend gezegd als boerenknecht met de dochter van de boer moest trouwen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dochter , dòchter , dochter
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dochter , döchtertien , dochtertje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dochter , döchter , dochters , Daor hébbe ze 'n paor schón döchter, 'de zeun komme lôtter vanaojges' zègge ze. Daar hebben ze een paar mooie dochters, 'de zonen komen later vanzelf' zegt men.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dochter , daogter , zelfstandig naamwoord , dochter (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dochter , dochter , (vrouwelijk) , dochters , döchterke , dochter , Zie höbbe ei döchterke gekrege.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dochter , dòchter , zelfstandig naamwoord , dochter; Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - Van êen dòchter kunde gin twee schoonzoons krèège - ongeveer: Wie het onderste uit de kan wil hebben ... (Tilburgse Taaklplastiek 128); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Bootermans waogde zen dòchter wèl, èn dè was zón kösselek paand ('77) - Botermans ... en dat was zo'n rijk bezit (aanmoediging tot iemand die aarzelt bij een beslissing); WBD III.2.2:72 'dochter' = idem; 75 'voordochter' = stiefdochter; A.P. de Bont: dòchter zelfstandig naamwoord. vr. dochter; rav. 'döchter'; 'n jong dochter - een pasgeboren meisje.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
dochter , dochter , döchter , döchterke , dochter
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal