elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doedelen 

doedelen  , doeddele , knutselen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
doedelen , doedele , werkwoord , Doezelen, dutten, suffen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
doedelen , doedeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. praten Der zal wel een beetie van waor weden, ik heb hum der teminnen over heuren doedeln (Eex) 2. zeuren Hie doedelde der maor aal over deur (Vri), Hij doedelt er wat in om (Zui) 3. niet opschieten (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie doedelt aal wat in het ronde en hie schöt niks op (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doedelen , doedelen , werkwoord , 1. z’n werk slordig en slecht doen 2. zeuren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doedelen , doedele , zwak werkwoord , geluidjes maken; vergelijk doedelen in doedelzak; Alleen aangetroffen bij Piet Heerkens; Den örgel die heur ik zo geere / zuut doedelen over de straot, (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘D’n örgel’, 1938); Toe draai dan en doedel mar, zieltje, [klein kind] / want zitte nie stampvol meziek? (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘D’n örgel’, 1938)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal