elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doffen 

doffen , doffen , (dòffə) , (zwak werkwoord, transitief) , Vochten, strijkgoed dof (vochtig) maken door het met water te besprenkelen. Zie dof. || We moeten nog kleren doffen. Ik heb de was ’edoft, maar me vingers wieren (werden) toch zo koud. – Vgl. indoffen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
doffen  , doeffe , stooten, duwen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
doffen , doffe , stompen (Ned.: opdoffer=vuistslag) d’r op doffe
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
doffen , doffe , werkwoord , Bevochtigen, betten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
doffen , doffen , stompen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
doffen , dóffe , slaan , Flèère, pèère, slaoge én slôn, dóffe én fómpe mér't bliif handwerk. Zes verschillende woorden om handtastelijk te zijn, maar het bleef wel handwerk.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
doffen , dôffe , stompen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
doffen , doffe , zelfstandig naamwoord , stompen (Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal