elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geweer 

geweer , geweer , (onzijdig) , geweer.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
geweer  , gewaer , geweer.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
geweer , gewiäär , onzijdig , gewiäärs , geweer
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
geweer , gewêér , o , geweer In ’t gewêér komme In het geweer komen. = in actie komen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
geweer , geweer , gewèer , geweren , Ook gewèer (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. geweer Mit het geweer op de nakke trök hij het veld in (Nsch) 2. in in het geweer kommen zich roeren As ie wat verandern wilt, dan meuje mit mekaar in het geweer kommen (Bov), Tou Jaan oetpraot was, kwam Berend in het geweer begon B. (Eev), De jonges waren vandage barre in het geweer (Hgv), Zie waren drok in het geweer um de boel an kaant te kriegen (Sle), De zaeke in het geweer roepen oproepen tot actie (Dwi) *Vrogger en aleer / scheuten ze met een geweer / Mor non / schiet ze met het kenon (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geweer , geweer , het , (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Var. als bij weren I = geklier, gestoei, ruzie Ik hebbe een ofkeer van dat gewèer en gedoe (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geweer , geweer , zelfstandig naamwoord , et 1. geweer 2. actie, in in ’t geweer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geweer , geweer , (zelfstandig naamwoord) , geweer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
geweer , gewieër , (onzijdig) , gewieëre , gewieërke , geweer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geweer , gewèèr , zelfstandig naamwoord , geweer; warboel, wirwar; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – 'geweir'; ''n gewair mee 't verkeer'; Dialectenquête 1876 - hij liep mid'n gewêr (ê als in même)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
geweer , gewaer , geweer
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal