elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: giebelen 

giebelen , gijbelen , Gr. spotlagchen, boerten. freq. van giben. A. S. gabban. Isl. at gabba, bespotten, bedotten.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
giebelen , giebelen , Lachen, spotlachen, ginnegappen, idem Groningsch; frequentativum van giben, gabben, gabbelen. Gabben of gappen is nog in ginnegappen overig; vergelijk mijn Overijselsch Taaleigen op gabbelen en de daar aangetogen werken alsmede de Navorscher, 1854, blz. 253.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
giebelen , giebeln , goecheln , lachen, valsch, geveinsd lachen. Gron. giebeln = giegelen, lachen, onophoudelijk min of meer gesmoord, spottend lachen, meestal zonder gegronde reden, voortkomende uit dartelheid maar waaraan anderen zich ergeren. (Bij Weil. en v. Dale: gijbelen = bedwongen lachen, giegelen.) Overijs. gabbelen, Westf. gabbeln, gibbeln, gäbbeln. = spottend lachen. Het is een freqent. van: gabben, nog in: ginnegabben of ginnegappen, en verwant met: gijpen, HD. gieben = met opgesperden mond naar adem snakken. Kil. gabberen = boerten, schertsen; Oostfr. gabbeln, gaffeln, guffeln = onder elkander lachen, in ʼt vuistje lachen, en bijvorm van: giebeln. – Gron. gucheln = den spot, de guchel met iets of iemand hebben = den spot er mee drijven. Kil. beguyghen = bespotten, en bij Bilderdijk: naguichelen, in die beteekenis. Vergel. ook het Oostfr. gȫkelspil, kȫkelspil, güchelspil, HD. Gaukelspiel.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
giebelen , giebêln , giegelen, ook: spottend, wel ingehouden, maar toch hoorbaar lachen. Stadsfriesch giebelen = onderdrukt lachen; Geldersch giebeln = ijdel lachen, uitsluitend in ongunstigen zin en wel van meisjes en vrouwen. Hiervan: gegiebel, dat altijd in afkeurenden zin gebezigd wordt: wat wi’j mit joen gegiebel! schoamt joe wat! Vgl. gabbeln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
giebelen , gabbêln , giebêln , onophoudelijk, min of meer gesmoord spotachtig lachen, giegelen, meestal zonder gegronde redenen; gabbêln luider dan: giebêln; voorts de tautologie lachen en giebêln = giebêln en gailen, of: giebêln en guilen; algemeen is: gegiebel (nooit gegabbel). Drentsch giebeln, goecheln = lachen, valsch, geveinsd lachen. Weil. gijbelen = lachen met eene poging om zich in te houden; v. Dale gijbelen = bedwongen lachen, giegelen; Overijselsch gabbelen, Westfaalsch gabbeln, gibbeln, gäbbeln = spottend lachen. Het zijn frequentatieven van: gabben, nog in: ginnegabben of ginnegappen, en verwant met: gijpen, Hoogduitsch giebsen = met opgesperden mond naar adem snakken. Kil. gabberen = boerten, schertsen; Oostfriesch (Stürenb.) gabbeln, gaffeln, guffeln = onderling lachen, in ’t vuistje lachen, en bijvorm van: giebeln; gaideln = lachen, zich verheugen; Oud-Fransch gale = vreugde; Fransch gaillard = dartel, moedwillig; Italiaansch gallare, Gothisch gailjan = zich vroolijk maken, zich verheugen. Het oude ghijlen, Kil. ghijlen, gheylen = spotten, bespotten; Middel-Nederlandsch ghilen = spotten; gile = spot; Oud-Friesch guille; Engelsch guile, to beguile beteekende ook: jokken, boerten, en verwant met: galpen, gilpen, galm, gala, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
giebelen , gîbelen , Gichelen. Ook Gron. Zie Nd. Wdb. onder guichel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
giebelen , gabbeln* , het Engelsche “to gib” beteekent eigenlijk miaauwen, vergel. to gabble, to gibber, to jabber, met de grondbeteekenis babbelen; het Fransche “gaber” is verouderd, “gabeler” behoort hier niet bij.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
giebelen , giebeln* , Geldersch: giebeltje = grapje, spotternij.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
giebelen , gîbelen , Gîchelen. Ook Gron. Zie Ned. Wdb. onder guichel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
giebelen  , giebbele , braken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
giebelen , giebbele , meisjeslach.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
giebelen , giebelen , gichelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
giebelen , giebeln , aanstellerig lachen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
giebelen , giebele , werkwoord , Giechelen, aanstellerig lachen. Vgl. Fries gibelje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
giebelen , giebbele , giechelen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
giebelen , giebelen , giebelen, egiebeld , giechelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
giebelen , giebeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , giebelen Maegies die altied giebelt, bint niet veule in trek (Die), Hij giebelt as een bok die op kraomvisite gaait maakt mekkerend geluid (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
giebelen , giebele , giechelen , Wa zén'ze wir druk ôn't giebele, zóó te hurre köm'ter nog veul kaoj wiir. Wat zijn ze weer druk aan het giechelen, zo te horen komt er nog veel slecht weer.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
giebelen , giebelen , werkwoord , giebelen, gniffelend gek doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
giebelen , gebbelen , giebelen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
giebelen , giebere , gibbere , zwak werkwoord , giebere - gieberde - gegieberd , "R zacht proestend of zenuwachtig lachen; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""gibberen - gibberkont (lachebek)""; Henk van Rijen –  giechelen, ingehouden lachen; Jag. GIBBEREN - gibben. Gibberen is Vlaamsch voor lachen. Het primaire GIBBEN kwam onder de vorm GIEBEN (giebelen) voor; Eng. to ghybe. WBD III.1.4:204 'gibberen','giebelen' = giechelen; A.P. de Bont – zw.ww.intr. 'giebelen' - bedwongen lachen, gichelen; WNT GIJBELEN en GIEBELEN - bedwongen lachen, gichelen (in Oost-Friesland, Groningen, Overijsel, Gelderland. A.P. de Bont – zw.ww.intr. 'gieberen', variant van giebelen; WNT GIECHELEN, giggelen, giegelen, gichelen; gewestelijk ook: gicheren, kicheren, kichelen; Jag. GIBBEREN - is Vlaamsch voor lagchen; In het eng. is 'to gibber' snappen (v. Dale: brabbelen, snateren, kletsen)."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal