elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: giftig

giftig , [venijnig, begiftigd] , giftig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) boos, venijnig. 2) begiftigd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
giftig , giftig , Giftig as eine knien, kwaad als een konijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
giftig , gifteg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , venijnig. Nen giftegn oard, een gemeen karakter
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
giftig , giftig , kwoad.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
giftig , giftig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vergiftig De mieste padstoelen bint giftig (Sle), De piesappel van de eerpels is giftig (Pes), De adder is de eeinigste slang bij oous die giftig is (Eex), zie ook vergiftig 2. venijnig, fel boos Ik leuit hum wat te lang staon en toen weur het mannegie giftig (Gas), Ik was wal zo giftig op die röthond, altied in oeze tuun te schieten! (Hoh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
giftig , giftig , bijvoeglijk naamwoord , 1. nijdig en fel, venijnig 2. vergiftig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
giftig , giftig , woedend
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal