elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gij

gij , ei , gij, enk. en meerv.: “korv’ en bessems en wat stroo kun ei van de boeren kriegen.” Gron. ie = gij, meerv. van jongen tegen ouden, enz. ook in ’t enkelv.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gij , ie , ij, ei , gij (meerv.), in Midden-, West- en Zuid-Drente; in N.Drente ij, elders, Zuidlaren enz. ei. “Ete! waar bin ie doch?” Van ouden tegen jongen in ’t enkv.: “umda’j’ nao mien kaant nuemt zint” Bij vertrouwelijken omgang gebruikt men do, anders ie, bijna algemeen van jongen tegen ouden ie. In Gron. ie, jie beleefdheidshalve ook in ’t enkelv.: heb ie = hebt gij, (vertrouwel. hestoe). Zeel. ji, Oostfr. ji, jo = u; Neders. ji, ju, Holst. ji = gij; Westf. ie, van kinderen tegen ouders, gelijk in Groningen, niet algemeen in Drente; Noordfr. i (2 pers. meerv.), Gijsb. Japix y, you, Eng. ye, yow, Deensch Zw. i, AS. eow.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gij , î , (voornaamwoord) , gij.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gij , gij , (persoonlijk voornaamwoord) , zie jij.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gij , gej , gij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gij , géj , ge , ge, gij, je, jij, u.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
gij , géj , gij (persoonlijk voornaamwoord 2e persoon enkelvoud, zowel de vertrouwelijke als de beleefde aanspreekvorm); òw, u (persoonlijk voornaamwoord, objectsvorm, zowel de vertrouwelijke als de beleefde aanspreekvorm); ik gééf òw di boe:k “ik geef
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gij , ge , gij, gullie , persoonlijk voornaamwoord , Je, u, jullie. Algemeen Brabantse alledaagse aanduiding van de tweede persoon, zowel enkel- als meervoud. In het standaard Nederlands klinkt het plechtig en ouderwets. In het Biks daarentegen gemeenzaam en vertrouwelijk. Het duidt op een persoonlijke relatie en op een omgang op gelijke voet.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
gij , geej , jij, u.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
gij , , gij , jij, u.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gij , , je, jij (pers. vnw)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gij , gèij , jij, gij , Witte gèij ’t? Weet jij het?
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gij , gij , gaai , voornaamwoord , jij (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); gaai; jij (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
gij , gae , u, gij, beleefdheidsvorm , Dao zaes se ‘gae’ tieënge: dat is de moeite waard.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gij , dj’r , jullie, u, in een vraagzin , Höb dj’r mörge tied?: hebben jullie, heeft u morgen tijd? Woea höb dj’r pien?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gij , , gij , persoonlijk voornaamwoord , gij, u, jij (zie ook ge); Cees Robben - omdè gèt zèèt; Dialectenquête 1876 - gè daacht nie, dè 'k dè wiest (ê is volgens toelichting van fr. même); Verhoeven - DE (als in 'hèdde' e.d.) uit 'du'! Z.a.; e; gij/ ge verkort tot e achter persoonsvorm; in bijv. komde, kwaamde, witte, wieste; GG15 Enclitisch verbonden restant van het pers. vn. gij/ge; Uit gi, de bijvorm van gij, ontstond ji, waarvan de i resteerde in bijv. komt i, waarin de slotconsonant van het werkwoord stemhebbend werd (komdi) en de slotvocaal ten slotte reductie onderging: komde.; ge; gij, maar ook: men; Ge meut nie vloeke; ge zót zégge; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GE vrnw - Wordt veel gebruikt voor 'men': Ge zoudt zeggen dat; - gij - gullie - persoonlijk voornaamwoord  -je, u, jullie; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - ge; zie gè; gij; jij, je, u (zie ook -e); Cees Robben - ómdè gèt zèèt; vatte gij mar gaaw en kuukske; - In een verwijt wordt 'gij' aan het slot herhaald: Gij hèt nôot ginnen tèèd gij!; Gij haawt alles vur oewèège gij!; WvM 'daor sedde ghay gedopt'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gij , geej , u
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal