elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glint 

glint , glind , (onzijdig) , Tw. houten afschutting van een tuin, staketsel. Hamburg. Osnabrug. H. Jun. p. 276, glent.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
glint , glint , schutting, beschot of hek van hout of ijzer.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
glint , glinte , rasterwerk, houten omheining met ruimte tusschen de planken. (Bij v. Dale: glint, glinte, glinting; latwerk (in eenen tuin) tot ondersteuning van de takken der vruchtboomen.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
glint , glint , (vrouwelijk) , schutting.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
glint , glinte , (vrouwelijk) , schutting.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
glint  , gelint , glazen schutting.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
glint , gleent , glint, omheining
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
glint , glint , Afschutzel, gemaakt door palen of staken in den grond te zetten, en dan smalle planken, latten of takken horizontaal daar tegen vast te maken. Zie Kiliaan op glend.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
glint , glînt , gelient , o , afrastering, omheining; gelient afrastering, leidsel. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
glint , geleent , âfrâstering ván en wej. (WLD I.08, 74)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
glint , glinte , de , glinten , (Zuidwest-Drenthe) = hekwerk, bestaand uit horizontale planken om tuin of erf Nou bint de varkens al weer deur de glinte breuken (Ruw), Ze hadden een mooie glinte um de appelhof (Hgv), Zij hadden zoe’n grote wasse, det ze het nog aover de glinte höngen (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glint , gelent , gelint , afrastering.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
glint , glinte , fuut
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
glint , glinte , zelfstandig naamwoord , [O] heining, bestaande uit smalle plankjes met gelijke tussenruimten vertikaal op twee horizontale ribben, om weilanden of erven af te scheiden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
glint , [vogel] , glinte , (zelfstandig naamwoord) , fuut (vogelsoort).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
glint , gelient , houten schutting
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
glint , glint , houten schutting of heining tussen twee erven (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
glint , gelènt , gelient , zelfstandig naamwoord , leuning (Den Bosch en Meierij); gelient; leuning, schutting (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
glint , gelint , zelfstandig naamwoord , omheining, hekwerk, schutting; WNT: GELINT/GELIND. Voorv. ge- in collectieve zin + grondwoord dat in onze taal niet meer voorkomt, maar duidelijker wordt aangewezen door het hd. 'gelände'. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GELEND, gelind, of bij verkorting 'glind', is hier algemeen voor eene schutting of omtuining in gebruik. Z.a. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - GELIJND of GELIND: ene houten heining of schutting. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELINT en GELENT zelfstandig naamwoord o. – hek van latten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
glint , gelint , afrastering (weiland)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal