elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gloeien 

gloeien , glö̂jen , (zwak werkwoord) , gloeien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gloeien , glaaien , (Ommelanden) = gloeien, glimmen. Zaansch gloei = plotselinge overgang van donker tot licht, als bv. de gordijn van een raam weggeschoven wordt. Vgl. glai.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gloeien  , gleuie , gloeien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gloeien , glööien , zwak werkwoord , gloeien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gloeien , gleujn , werkwoord, zwak , gloeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gloeien , glujen , glujen, egluujd , gloeien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gloeien , gluien , glunen, gleuien, gluiern, gloeien, gluuien , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe). Ook glunen (Zuidoost-Drents zandgebied), gleuien (Zuidwest-Drenthe, noord), gluiern (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), gloeien (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), gluuien (Zuidoost-Drents zandgebied) = gloeien Dat paosvuur dat gloeide de ander morgen nog (Klv), ... gluide nog wat nao (Sle), De haanden gluiden hum van het deurkellen (Hgv), Hij kun wel koorts hebben, hij begunt zo te gluien (Geb), Wat gluuit mien gezicht (Pdh), Dat is goeie turf, de koolties in de stove gluiert zo lekker (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gloeien , glènen , zwak werkwoord, onovergankelijk , Var. als bij glèende = gloeien De bloedvin die glèende mij gloepens (Wes), Hij was zo kwaod, de ogen glenden hum in de kop (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gloeien , glöjen , gloeien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
gloeien , gluuien , gloeien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gloeien , gluujn , gloeien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gloeien , gloeien , gluuien, glujjen, gluien , werkwoord , gloeien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gloeien , gluuien , (werkwoord) , gluuien, egluuid , gloeien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gloeien , gleuje , gleutj, gleudje, gegleudj , gloeien, ijzer in vuur gloeien
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal