elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gluipen 

gluipen , gluipen , (intransitief werkwoord) , sluipen, loeren, iemand te gluips lagen leggen, bedektelijk aanvallen. De hond van buurman is een gluiperd, hij pakt je maar zoo stilletjes bij de kuiten. Hetzelfde als smuigen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
gluipen , glü̂pen , (zwak werkwoord) , gluipen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gluipen , gloepen , (werkwoord) = gluipen; iemand angloepen (aangluipen) = gluiperig, loensch aankijken. Vergelijking: gloepen as ’n pachter = zuur zien, meesmuilen, inzonderheid van kinderen gezegd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gluipen  , gluupe , gluipen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gluipen , glůppe , gluipen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gluipen , gloemp , werkwoord, sterk , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: glop, 1e persoon enkelvoud verleden tijd: gleup , loerend kijken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gluipen , gloepen , achterdochtig kijken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gluipen , glupe , werkwoord , 1. Gluipen, sluipen, heimelijk en snel te werk gaan. 2. Gluiperig, loerend kijken. Vgl. Fries glûpe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gluipen , gloepen , gluren.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gluipen , gloepen , gluren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gluipen , gloepen , sterk, zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. loeren, spioneren De jonges gungen bokkien staon um deur het vèensterglassien te gloepen of der ok wichter waren (Pdh), Hij glöp tussen de gerdienen deur (Hgv), Zie gloept je dwars deur het hoes hen bij een doorzonkamer (Sle), Hie gleup aordig naor heur hij keek van opzij naar haar (Sle), Ze stiet achter het glas te gloepen (Wsv), Hie glöp under de pet vort (Sle) 2. plotseling of schichtig gaan De wind gloept um de hoek toe (Sle), De hond gloept zo bij je langs (Sti), Hij gluup mij zu’n bettien veurbij of e mij niet zien wol (Pdh), Wanneer het stormt, gloept het overal deur in een aold huus waait het (Coe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gluipen , gloepen , gluipen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gluipen , gloepen , werkwoord , 1. kort kijkend bespieden 2. sluipend, stiekem gaan 3. net even tevoorschijn komen 4. floepen (van de wind)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gluipen , gloepen , (werkwoord) , gloepen, egloept , gluren, loeren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gluipen , gloepen , gluren, loeren.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gluipen , glèùpe , zwak werkwoord , gluipen; WBD III.1.2:13 'gluipen' = sluipen; ook 'glippen'; WBD III.1.2:124 'gluipen'=verdacht rondlopen; ook: 'sluipen', 'struinen'; WBD III.1.4:92 'gluiper' = idem
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal