elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loeren

loeren , loeren , ’t Weer loert, het weder weet niet wat het wil. Loeren, op de loer leggen en zwijgen. Hetzelfde past men toe op het gehoor en zegt, 't weer lustert.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
loeren , [slapen] , loeren , (intransitief werkwoord) , slapen, lodderen. Het kind loert op moeders schoot, de kinderen loeren bij malkander.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
loeren , lûren , (zwak werkwoord) , op den uitkijk zijn; ’t weer lûrt, ’t kan règenen, ’t kan vr(i)eezen, het weer is onzeker.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
loeren , loeren , Zegswijs: al loeren en niks zeggen = het zwijgen er toe doen en intusschen de kat uit den boom kijken; ’t loert hōm = het dingt of bantjêt er om dat wil beginnen te regenen; ’t loert al om = er broeit een onweer; doar kenste die dood op loeren = dat zult gij nimmer verkrijgen. (In ’t Nederlandsch heeft het woord bijna uitsluitend eene ongunstige beteekenis, in ’t Groningsch wordt het gewoonlijk in gunstigen zin gebruikt: woar loerst zoo noa? = waar kijkt gij zoo naar? ik loer al en loer al = ik kijk al uit en zie nog niets aankomen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
loeren , loeren , (zwak werkwoord, intransitief) , Slapen, een tukje doen. || Gaan (ga) maar ’en posie loeren. Broer loert op me schoot. De kinderen loeren bij mekaar. – Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 64). Blijkens Hs. Kool sprak men in de vorige eeuw ook van in het zontje loeren; vgl. het synon. lodderen. Zie verder de wdbb. op loeren. – Vgl. loerig, loerwang, uitloeren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
loeren , loeren* , voor kijken, staren, in: woar loer j’ zoo noa? zonder de gewone, ongunstige, beteekenis van: gluren; vgl. koekeloeren *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
loeren , loere , Eemes in de kaart loere, spionneeren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
loeren , loern , werkwoord, zwak , loeren; t loert zoo, ’t is zo stil, met betrokken lucht of nevel, zoals aan vriezend weer voorafgaat; t loert um neet, ’t bevalt hem niet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
loeren , loêre , stiekem kijken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
loeren , loere , werkwoord , Ook: slapen. | Doen jij maar lekker loere, me knecht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
loeren , loeren , onpersoonlijk werkwoord , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën) = stil en gehorig zijn van weer, waarbij vaak ander weer op til is Het loert in de lucht, het kan best begunnen te vraizen (Vtm), Het loert er umme dat het zal gaon vriezen het gaat erop lijken (Hgv), Het loert wat het is stil weer, gehorig (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loeren , loeren , onpersoonlijk werkwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, ti) = passen Evert loerde het wal dat meester zo gek op zien schoonzuster was (ti), zie ook loenen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loeren , loeren , zwak werkwoord, onovergankelijk , loeren De hiele buurte stund te loeren, maor èven een haand uutstikken ho mar (Hgv), Hij loert er op as een hond op een zeike kou (Bco), Ik heb de hiele dag al um het huus lopen te loeren, mar ik kan gien wark meer vinden (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
loeren , loeren , loeren, gluren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal