elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: goesting 

goesting , gusting , en goesting, voor smaak, zin, lust, zoo wel als in eenen zedelijken als ligchamelijken zin. , Het is niet naar mijne gusting. Ik heb er geen gusting voor.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
goesting , gôstink , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] zin, smaak.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
goesting , gôstink , (mannelijk) , zin, smaak.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
goesting  , goesting , zin, ambitie. Det is nao zien goesting, dat is naar zijn zin.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
goesting , goesting , zelfstandig naamwoord , zin, smaak (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
goesting , goesting , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.4:188 'goesting' = zin; WBD III.2.3:26 'goesting' = eetlust
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal