elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gorgelen 

gorgelen , gōrrêln , gorgelen, de keel spoelen; de hals gōrrêln = de keel gorgelen; gōrrelwoater = gorgelwater, gorgeldrank; gegōrrel = gegorgel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gorgelen  , görgele , gorgelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gorgelen , giörgelen , zwak werkwoord , gorgelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gorgelen , gorreln , gorgelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gorgelen , gorreln , gurreln, görreln, gorgeln , Ook gurreln (Zuidwest-Drenthe, zuid), görreln (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid), gorgeln (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe, jonge vorm) = gorgelen Aj het in de hals hebt, dan gorrel mor met zoltwater (Hoh), Vrogger gorrelden, ...görrelden ze met aloen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gorgelen , görgelen , 1. gorgelen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: rochelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gorgelen , görgeln , gorgelen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gorgelen , gorrelen , werkwoord , gorgelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gorgelen , gurgele , werkwoord , gurgel, gurgelde, gegurgeld , gorgelen Hij kreeg een flessie goed om te gurgele, maor hij gong impesant deur mè pruime Hij kreeg een drankje om te gorgelen, maar intussen ging hij door met pruimen (kauwen van pruimtabak)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
gorgelen , görgele , gorgelen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gorgelen , görgelen , (werkwoord) , görgelen, egörgeld , gorgelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gorgelen , gùrgele , gorgelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
gorgelen , gurgele , gorgelen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
gorgelen , görgele , görgelde – gegörgeld , gorgelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal