elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gras 

gras , graze , zeker aandeel in gemeenschappelijk weideland. In ʼt Westerkw.(Gron.) is: gras, groas eene landmaat = 44 are. (Weil. vijf grazen = zes morgen.) Ommel. Landr. I, 2; IV, 5: grasen Lands. Was voorheen ook in Drente in gebruik en = 400 vk. rd.; in Oostfriesl. is het eene weidemaat van 300 vk. Rijnl. rd. of bijna 3/7 hectare. Oorspronkelijk zal het zijn, graze zoowel als gras, zooveel land als voedsel opleveren kan voor één rund. (v. Dale: gras of graze, Oud-Nederl. vlaktemaat.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gras , gres , grös , (onzijdig) , gras.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gras , gras , Zegswijs: hij ken ’t gras wassen heuren (hij kan’t gras hooren groeien) = hij is in de hoogste mate eigenwijs; ook Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch, Noordfriesch; te Meurs: den hörrt de pieren huszten, te Euskirchen: da hüet de flüh host’n; (vgl.: wies); – hij let’r gijn gras over wassen (hij laat er geen gras over groeien) = hij maakt er terstond werk van, stelt het niet uit, bij v. Dale (gewestelijk): hij laat geen gras onder zijne voeten groeien; Friesch: Wij moatte der gjin gears oer waechse litte, (de zaak maar dadelijk aanpakken); beesten te hooi en te gras hebben = zooveel hooi- en weideland hebben dat men ze ’t geheele jaar kan voeden; – op zien leste gras wezen, wordt van voorwerpen gezegd die op het punt staan om buiten gebruik gesteld te worden, omdat zij niet voor herstelling vatbaar zijn. – Men zegt hier: ’t gras komt mit regen en wiend en ’t gait ook mit regen en wiend weer weg. Vgl.: gruin as gras, fig. = geheel onbeschaafd, ruw, lomp.
te gras, voor: tot grasland, van bouwgrond weideland worden. Houdt dit jaren lang aan dat die verandering met goed gevolg wordt tot stand gebracht, dan zegt men: dat land wil nijt te gras. (Hoogeland)
boven ’t gras zijn, zegt men van eene op stal staande koe, die in zulk een goeden staat is dat zij, in de weide gebracht, niet naar eisch kan groeien, gras is voor zulk een beest niet voedzaam genoeg om zeer vet te worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gras , gras , groas , (meervoud groazen, in geschrifte: grazen; groas wordt zoowel in ’t meervoud als in ’t enkelvoud gebruikt); eene landmaat in Hunsegoo en ’t Westerkwartier = 44 are. In den wandel echter rekent men twee groazen = één bunder. Weil. vijf grazen = zes morgen; v. Dale: gras of graze Oud-Nederlandsche vlaktemaat. Ommel. Landr. I, 2; IV, 5. grasen Lands. Middel-Nederlandsch gerse, gaerse, garse, grase, enz. Benaming eener landmaat, ter grootte van 3/4 deimt of 1/2 mat of 1/3 morgen, of 200 roeden (het morgen op 600 roeden gerekend), of ± 250 roeden, het morgen op 800 roeden gesteld. Het woord is eene afleiding van gras, waarvoor in ‘t Middel-Nederlandsch gers een zeer gewone vorm was; ook gras komt als landmaat voor. (Verdam art. gerse). Voorheen ook in Drente in gebruik en = 400 vk. roeden; graze ook: zeker aandeel in gemeenschappelijk weideland; in Oost-Friesland eene maat voor weideland van 300 Rijnl. vk. rd. of bijna 3/7 hectare. – Oorspronkelijk zal het zijn: zooveel land als voedsel kan opleveren voor ééne koe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gras , gras , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , zie bent, breegras, haard, haargras, hengstebos, hengstegras, hondsbos, lies, sniel, witbol, en vgl. kalfsgors en geers.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gras , gras* , groas , 2, vergel.: wassen ; niet de spreekwijze “te hooi en te gras” te vergelijken de in ’t Nederlandsch in geheel andere beteekenis gebruikelijke bijwoordelijke uitdrukking “te hooi en te gras” (ook wel: “bij hooi en bij gras”) = zelden. Zie ook te gras *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
gras , grös , gras.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gras  , graas , gras. Hae zuut et graas greuie, bijzonder gierig zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gras , grös , [grœs] , onzijdig , gras
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gras , grùs , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gras
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gras , gras , (ouderwets), landmaat (halve hectare)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gras , gras , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze op z’n leste gras loupe, het einde van zijn leven naderen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gras , grös , gras.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gras , graos , (Kop van Drenthe, N:be) = 1. oppervlakte van 40 are 1 graos is 40 are en een mat 60 are (Row) 2. zeker aandeel in het gemeenschappelijke weiland (N:be)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gras , gres , grös, grus, gras , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook grös (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drenthe), grus (Zuidwest-Drenthe, zuid), gras (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = gras Der mus neug wat regen op het gras (Eev), Wat hej daor een dikke snee gres op zitten (Sle), Het grös greuit hard, ie holdt het niet tegen, al gaoj der mit het gat op zitten (Ruw), Het gres gruit de koenen in de bek groeit snel (Sle), Doe maaist mie het gras veur de vouten weg (Vtm), Het is zo gruun as gras (Ass), Te heui en te grös (Hgv), IJ moet er gien gres over laoten gruien (Oos), Hij lat zuk het gres uut de bek vreten de kaas van het brood (Klv), Pas mar op, denne kan het grös heuren wassen hem ontgaat niets (Pdh), Het is mooi weer, ie kunt het grös heuren gruien (Hol), ...zeen greuien (Wap), Hier zit een adderie under het gras (Eex), Hie lig al lange onder het grös is al lang begraven (Hgv), Het regent grös en ente-eier (Mep), ...gres en kievitseier het is groeizaam weer (Man), Ze waren aordig an mekaar waogd, mor J. meus toch het eerst in het gres bieten (Hijk), Hie is an ’t staonde gres, ...körte gres (Sle), ...aan het lange gras hij is failliet (oz), Hij gruit as grös (Ruw), Op aalmans pad gruit gein gras van vrouwen die kinderloos blijven (N:be:Eel), Hij hef het grös nog tussen de koezen is onbeschoft (Mep) 2. onervaren Hij gaf een kussie op de wang, want hij was nog zo gruun as gras (Ass) *Het gras komp met onweer en geet met onweer weg (Rol); Gras meien zie ik niks tegenop, zee Jans, het zit maor an een kaant vaast (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gras , grös , gres , gras. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gres (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gras , gres , gras.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gras , grös , grus , zelfstandig naamwoord , et 1. grasdek 2. grashalm, vaak verkl.: grössien en var.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gras , gróés , gras
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
gras , grös , (zelfstandig naamwoord) , gras. Uitdr.: IJ ligtt grös van onder te bekieken ‘hij is dood en begraven’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gras , gres , 1. gras; 2. oude opervlaktemaat voor weiland (ca. 300m2).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gras , grus , grös , gras; grös (Hattem).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
gras , graas , (onzijdig) , gras
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gras , graas , zelfstandig naamwoord , "gras; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – 'khè hier graas gezaojd'; WBD I:1396: 'gras', 'graas'; A.P. de Bont – gra.s zelfstandig naamwoord o. 'graas' - gras; gras; gras; Pierre van Beek –""Hij ziet het gras aon de verkeerde kaant groeien."" Een dode op het kerkhof ""kijkt"" immers aan de onderkant tegen de graszoden aan. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - alle gras is gin hoojgras (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1973) - niet iedere zoon brengt het even ver als zijn vader; WBD I:1396 'gras', 'grààs'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
gras , graa~s , gras
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal