elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: graszak 

graszak , graszak , (Ommelanden), in: iemand in de graszak nemen = in ’t ootje nemen, voor den gek houden. Zal ontleend zijn aan het zoeken van gras aan de kanten der slooten, enz. voor schapen, geiten, enz. die des zomers in het hok moeten gevoederd worden; die eten oet de graszak. De zegswijs zal dan eigenlijk beteekenen: hem in den zak stoppen en zoo met hem voortsjokken. Vgl. op de koar (of: koare) nemen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
graszak  , graaszak , grasvink.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
graszak , graszak , zelfstandig naamwoord de , Smeerlap, schuinsmarcheerder, rakker.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal