elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grazen 

grazen , gräozen , Groen goed eten. H(i)ee hölt zó van gräozen: ’t is zon gräozer. Ook N.-Br. O. V. I p. 205.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
grazen , grazen , (zwak werkwoord) , Zegsw. Iemand te grazen nemen, hem te pakken nemen, bedotten. || Pas maar op, dat-i je niet te grazen neemt. Vgl. Ned. grazen, transitief, iemand in het hooiland onder het afgemaaide gras bedelven, en grazen, intransitief, naar hartelust te werk gaan, zijn driften (aan iemand) botvieren; zie Ned. Wdb. V, 630 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grazen , gräozen , Groen goed eten. H(i)ee hö̀lt zó van gräozen;’t is zon gräozer. Ook N.-Br. O. V. I, p. 205.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
grazen  , graze , Eemes te graze hebbe, iemand te pakken hebben.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
grazen , grùezn , werkwoord, zwak , groenvoer eten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grazen , graze , werkwoord , het voeren van vee dat in de zomer op stal staat (KRS: Hout, LPW: Lop). Zie hoofdstuk 4 punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 61). Stapelkamp schrijft t.a.p.: ‘Dit geschiedde bijvoorbeeld door verveners, die wel voldoende groen voeder voor enige koeien tot hun beschikking hadden op hun veenakkers in de polder (veenplas) maar geen eigenlijk weiland’. Zie ook Van Veen 1989, p. 175, punt 27.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
grazen , grazen , graozen, graezen , Ook onbepaald werkwoord. Ook graozen (Noord-Drenthe), graezen (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. grazen (weinig gebr.) Het vie leup mooi te grazen (Emm) 2. te pakken nemen, afzetten Die koopman hef mij lillijk te grazen had (Bor), Geert hef het wicht van de buren te graozen had voor de gek gehouden of: sexuele omgang mee gehad (Eev), Ze hebt hum mooi te grazen nummen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
grazen , graozen , steeds over hetzelfde doorzeuren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
grazen , graozen , grözen, grezen , (Kampen) 1. grazen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: de koeien op stal gras voeren. Ook: grözen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: grezen (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grazen , grezen , 1. grazen; 2. gras maaien voor koeien die op stal staan; meervoud van gres, bet. 2.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
grazen , graoze , zwak werkwoord , graoze - graosde - gegraosd , grazen; (geen vocaalkrimping)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal