elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: groeien 

groeien , groeijen , tusschen groeijen en wassen wordt een groot onderscheid gemaakt: groeijen is in dikte, wassen, in lengte toenemen, zodat men van een 60-jarige hoort zeggen, dat hij in den laatsten tijd zeer gegroeid is.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
groeien , grujen , (= groeien) = in dikte en breedte toenemen, meer omvang krijgen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
groeien , grö̂jen , (zwak werkwoord) , groeien, in dikte toenemen, zie wassen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
groeien , grö̂jen , Groeien. Argens in grö̂jen, beteekent: er zich in verheugen, met de bijgedachte van: leedvermaak. Nagenoeg ’t zelfde als:
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
groeien , groeien , (zwak werkwoord) , Zegsw. In eens anders zeer groeien, zich verheugen over andermans leed. Zie Ned. Wdb. V, 805; Mnl. Wdb. II, 2151; en vgl. SOETEBOOM, Ned. Schout. 213: “Het verwoede Grau, dat by soodanige Treurspel als de vliegen in een anders zeer groeyen en sich vermaekt, hadde dit met goeder oogen en open monde aengesien.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
groeien , grö̂jen , Groeien. Argens in grö̂jen, beteekent: er zich in verheugen, met de bijgedachte van: leedvermaak. Nagenoeg hetzelfde als: gräolen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
groeien  , greuie , groeien. Dit pak is op de greui gemak, dit costuum is te groot.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
groeien , grööien , grööide, egrööit , groeien. N.B.: Groeien in de lengte is wassen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
groeien , greujn , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: grùejt, verleden deelwoord: egrùjd , groeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
groeien , gruîje , groeien van trots, vals genieten (Vianen)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
groeien , groeie , werkwoord , in de zegswijze ’n pond groeie, zichtbaar gevleid of trots zijn. – Erges in groeie, ergens leedvermaak om hebben of tonen. – Ze groeie as koeiesteerte (nei beneden), gezegd van kinderen die slecht gedijen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
groeien , grujen , grujen, egruujd , groeien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
groeien , gruien , gruuien, greuien, graaien , Ook gruuien (Zuidoost-Drents zandgebied), greuien (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), graaien (Zuidoost-Drents veengebied) = groeien Die zwienen wilt best gruien (Wee), IJ bint gruid, jong, eerder hadden ij mor zun klein smal bekkie, en noou ...! (Eex), De jongen greuit mij boven het heufd (Dwi), Hai gruit tegen de klippen op (Vtm), Die gruit tegen de verdrokking in (Hol), Bah, wat is dat vleis taoi, het gruit oe in de mond je kunt het niet kwijt (Noo), ook gezegd van droog brood (Hgv), Hij gruit as kool (Nam), ...as een boeskool (Vtm), ...as grös (Zuidwest-Drenthe, zuid), ...as een zwien (Sle), ...as een beer (Row), Hij gruit under en boven de boks oet (Sle), Het geld greuit mij niet op de rogge ik moet zuinig zijn (Ruw), Hij is uut de kracht egruid (Hol) *Daor lèer ij van, mor ij gruit er niet bij gezegd door een ouder tegen een kind dat iets verkeerd had gedaan (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
groeien , grùjen , groeien, meer bepaald: vet worden. Erges in grùjen, leedvermaak hebben.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
groeien , gruuien , groeien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
groeien , gruujn , groeien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
groeien , gruuien , grujjen, gruien , werkwoord , 1. groeien inzake mensen, planten en dieren 2. opschieten, uit de grond komen van planten 3. belangrijker worden, zich belangrijker voelen 4. toenemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
groeien , groeje , groeien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
groeien , gruuien , (werkwoord) , gruuien, egruuid , groeien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
groeien , greujen , gruujen , groeien.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
groeien , grèùje , werkwoord , groeien (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
groeien , gruje , gruutj, gruudje, gegruudj , groeien , Det gruutj mich boeave de kop.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
groeien , groeje , zwak werkwoord , groeien; 't [is] on 't groeien gegaon as spurrie. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); De Wijs –  (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kôôl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zèn nog nie bekwaom (17-08-1964); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der mar teegenòn gegroejd zèèn (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 197l) - er maar tegenaan gegroeid zijn: er niet voor de volle 100, bijhoren. WBD III.1.1:8 'nie groeien' = slecht groeien; WBD III.4.4:10 'groeien' = betrekken (v.d. lucht); WBD III.4.4:14 'groeiende lucht' = lucht die onweer en regen voorspelt; WBD III.4.4:15 'de lucht groeit' = lucht die onweer en regen voorspelt; Dirk Boutkan (blz. 24) 'grujs' = groeje (geen umlaut wegens volgende j)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
groeien , gräöje , gräöjde – gegräöjd , groeien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal