elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grootsigheid 

grootsigheid , grozigheid , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Trots, hoogmoed. Zie grozig. || Dat komt van die grozigheid. – Evenzo elders in N.-Holl.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grootsigheid  , gruëtsigheid , trotschheid.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
grootsigheid , gruetsegaejd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hoogmoed
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
grootsigheid , grötsigheid , v , valse trots, verbeelding.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
grootsigheid , groôsighoid, groôskigheid, groôskerighoid , groôtsighoid, groôtskigheid, groôtskerighoid , zelfstandig naamwoord de , Trots, verwaandheid.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
grootsigheid , greutsigheid , verwaandheid.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
grootsigheid , greutsigheid , verwaandheid.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
grootsigheid , grootsigeid , grosigeid , (Kampen) inbeelding. Ook: grosigeid (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
grootsigheid , grootsighied , zelfstandig naamwoord , de; trots, hoogmoed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
grootsigheid , grôôzeghaaid , zelfstandig naamwoord , grôôzegheeje , grôôzeghaaidtjie , verwaandheid, ijdelheid Ze draoie je van grôôzeghaaid van de straet of Ze duwen je van verwaandheid van de straat
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
grootsigheid , greutsigeid , (zelfstandig naamwoord) , trotsheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
grootsigheid , gruuetsigheid , (vrouwelijk) , verwaandheid , Hae wètj neet wie d’r zich mót drejje van gruuetsigheid: hij gedraagt zich erg verwaand.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
grootsigheid , grotseghei , zelfstandig naamwoord , verwaandheid, trots, hoogmoed; R.J. 'vremd van gròotsighei'; 'grootsighei'; WBD III.1.4:169 'grootsigheid' = trots (subst.); A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord vr. 'greutsigheid' - grootsigheid, grootdoenerij, hoogmoed. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GROOTS(CH)IGHEID(Kemp.: grötssghäd) zelfstandig naamwoord v. - grootschheid, trotsheid. WNT GROOTSCHIGHEID - heerlijkheid, verhevenheid; hoogmoed, hoovaardij
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal