elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: guit 

guit , guut , (= guit), voor: persoon die snaaksche zetten kan doen, van eene klucht houdt, een schalk. – Voorheen werd in sommige dorpen van Hunsegoo, o.a. te Warfum, de veldwachter aldus genoemd, zoodat verscheiden personen daarvan nog hun bijnaam, guut, ontleenen. Kil. guyte = kwast, windmaker; straatslijper; v. Dale: guit = spotboef, grappenmaker; schelm, schavuit: Oostfriesch güte. Zie ook: guchel, en: gutig. Vgl. ’t Fransche gard = wacht, nachtwacht, schildwacht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
guit , guit , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Ook als scheldnaam, door de Assendelvers aan de Krommenieërs gegeven. || Die lamme guiten wouwe me weer ofranselen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
guit  , guut , guit.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
guit , guutken , 1. grapjesmaker 2. kleine guit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
guit , guut , guit , guten , Ook guit = guit, grappenmaker Het is een rare guut, hie hef aaid de bek veuran (Sle), Dat is wal zo’n guut, daor kunj altied wal um lachen (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
guit , guut , gute , guten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, veroud.). Ook gute (Zuidwest-Drenthe, noord, dva) = korte, zwarte mannenjas, kleur zwart, ‘meestal door turfmakers gedragen’ (dva) Een duffelse kurte jas zunder slippen nuum wij een duffelse guut (And), Een guut is een körte jasse en weur gebruukt as warkjasse en was van striepkaoren en weur in de winter dragen, as het kaold was (Bei), ...jasse van grove stof en zonder krage en buzen (Hav), ...was een langere jas met slippen, ok van duffel (Oos), ...wat langer as een gewone jas (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
guit , guut , guutsel, guut veur het gat , (Zuidoost-Drents veengebied). Ook guutsel, guut veur het gat = slechte koffie Wat wie daor kregen, dat was gien koffie, dat was guut (Bov) ...guut veur het gat, ...peerdemiege (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
guit , guut , guit , zelfstandig naamwoord , de; guitig iemand
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
guit , guit , zelfstandig naamwoord , de; in de guit te pakken hebben gezonder geworden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal