elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gul 

gul , gul , gulzig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gul , gul , in: ’t is moar ’n gulle wind (of: wiend,) zegt men, wanneer hij ons een beetje koud tegenwaait, vooral eene voorjaarskoelte. Men spreekt er alleen dan van, wanneer het weder niet koud of guur is. – Wordt ook van koffie gezegd, wanneer er dunne melk of te weinig cichorei bij gedaan wordt; alsmede: ’t gulle swijt stōn hōm op ’t gezicht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gul , gulk , (zelfstandig naamwoord) , Zekere vis, sterk gelijkende op schelvis; doch niet daaraan gelijk. || Dat’s ’en gulk. Er benne nog al wat gulken bij. – Het woord is ook elders in Holl. bekend; vgl. BERKHEY, Zeetriumph 1, 16: “De visscher bij zijn want en vischtuig zit en krijt, wijl gulk noch cabbe1jaauw aan hoek of angel bijt”. – De vis heet ook gul, en gulk zal hiervan de verkl. zijn. Te Volendam spreekt men van gultje. Vgl. KIL. “gulle, gulleken, asellus piscis”. Gulleken komt reeds in de Middeleeuwen voor; zie Mnl. Wdb. II, 2210.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gul  , göl , gul.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gul , gul , bijvoeglijk naamwoord , mager, van leem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gul , gul , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de combinatie gul zand, een en al zand, mul zand. – Gulvreemd, totaal vreemd of onbekend. | Hai is hier gulvreemd. Zie voor gul = welig, mul e.d. het N.E.W. onder gul-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gul , gul , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. gul De buurvrouw is gul met snoep veur de kleintjes (Nor), Dat was een gul meinse, die kun wel wat missen (Hol), Geef mit gulle hand (Klv), Dat is een gulle meid, die floddert er alles oet gezegd van een floddermadam (Sle), De koffie bekomp mij niet zo best, het valt mij zo gul in de hoed onplezierig (N:Sle) 2. koud, gul (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Het is mooi weer, maor der is nogal ’n gulle wind (Hoh), De wind is gul, trek mar een dikke jas an (Zwe), Most die goud inpakken, want het is ain gulle oostenwind (Vtm) 3. aangenaam, lauw (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het is zo’n een gulle wiend (Hgv) 4. droog, los Wat is met die dreugte de grond toch gul (Eev), Hoge akkers is vaok gulle grond (Zui), Het is gulle grond, het wil gien vocht holden (Bov) 5. gulzig De koenen namen het voor gul op (Zdw), Je moot niet zo gul drinken (Gas), ...eten (Rod), Dat biest is an de wind, het zal wal te gul vreten hebben (Sle) 6. vet Dat spek lus ik neit, dat is mie te gul (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gul , gul , gul, hartelijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gul , gul , zelfstandig naamwoord , de; gul: bep. vis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gul , gul , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. goedgeefs 2. hartelijk, vriendelijk, opgeruimd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal