elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gulzig 

gulzig  , gölzig , gulzig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gulzig , guelzeg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gulzig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gulzig , gulzig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gulzig Eet toch niet zo gulzig, ie huuft niet hen heuien (Flu), ...ie hebt jao tied zat (Dwij), De hond vrat gulzig (Row), As het regent, nemp e het water gulzig op bijv. van plant, van de grond (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gulzig , gulzig , gulzig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gulzig , gölzig , gulzig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
gulzig , begulzeg , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , WBD III.2.3:20 'begulzig' = gulzig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal