elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hemd 

hemd , hemp , hemd. Vergel. komp = komt; voorheen namp = nam, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hemd , hẽmde , (onzijdig) , hemd.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hemd , hemde , hemp , (onzijdig) , hemd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hemd , hemd , Zegswijs: ’t vour, of: ’t vouwer (= voering) oet ’t hemd vroagen = ’t hemd van ’t gad vroagen = onbeschaamd nieuwsgierig zijn. Friesch: Dat wiif freget yen it himd fen ’t gat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hemd , hemd , Iemand, wien men ten laste legt, dat hij een ongelukje gehouden heeft, antwoordt dikwijls: D(i)ee ’t eerste ve(r)nemt, hef ’t achter in ’t hemd. Zie ook bij: gat.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hemd , hemd , hiemd , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast te Assendelft soms hiemd. Zie de wdbb. – Zegsw. Iemand het hemd krap op het achterste spannen, het uiterste van hem eisen. || Heeren, span me het hemd niet zoo krap om het achterste, want as ik me dan bok (buk), dan scheurt het, uit een verzoekschrift om vermindering van hoofdelijke omslag, a° 1893. – (Van iemand, die zeer stijf en statig loopt:) Hempie raakt me buikie niet, hoofie (<i>hoofdjei>) komt niet uit de plooi, gatje gaat te kerremis. – Vgl. hemdje-licht-op en zijdenhemdje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hemd , hemd , Iemand, wien men ten laste legt, dat hij een ongelukje gehouden heeft, antwoordt dikwijls: D(i)ee ’t eerste vernemt, hef ’t achter in ’t hemd. Zie ook bij: gat. Als iemand het hemd uit de broek komt kijken, hoort men dadelijk zingen: Hemp ü̂t de brôk zal taofel dekken, / Jozef (lulleman) zal de pòt ü̂tlekken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hemd  , haemp , hemd. Gein haemp aan de kônt hebbe, zeer arm zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hemd , hièmd , [ĭęmt] , onzijdig , hièmde [ĭęmdә] , hièmdtien [ĭęmtiñ] , hemd. Eimaond et hièmd vån et gat vraogen: iemand helemaal uitvragen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hemd , hemd , een lang hemd hebben, lang van stof zijn.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
hemd , hemd , zelfstandig naamwoord, onzijdig , hemdn , hempjen , hemd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hemd , himd , hemd , zelfstandig naamwoord ’t , Hemd. Vgl. Fries himd. Zegswijze ’n kleur as ’n kladdig himd, een vaalbleke, ziekelijke kleur. – D’r uitzien as ’n kladdig himd, er verlept, ziekelijk of ongewassen uitzien. – Ientje ’t himd van ’t gat vrage, iemand van alles en nog wat vragen. – Je leste himd het gien zakke, je kunt je geld of bezit niet meenemen als je sterft, wees dus niet overdreven spaarzaam. – Jij hewwe je leste himd ok nag niet an, jij kunt (met je kinderen) ook nog van alles meemaken, zeg dus niet teveel van anderen. – Je zouwe je leste himd er om vertére, gezegd van een zeer smakelijke spijs. – Ientje z’n himd vol skeipeteke wense, iemand naar de hel wensen. – ’t Was poep bai ’t himd of, het was op het nippertje, het ging maar nét. Meervoud himde, in de zegswijze ’t is himde lappe en géren toegeve, het is hard werken en nog geld toegeven. Vgl. broekelappe. Verkleinvorm himpie, in de zegswijze himpie raakt m’n (’t) bukkie niet, m’n (’t) gatje gaat te kermis, gezegd van een vrouwspersoon die of een meisje dat zeer parmantig of uitdagend loopt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hemd , hemd , in ów leste hemd zitte gen taese: as ge doëd ziet kunde niks mej neme.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
hemd , hemp , hemd; * wie het ’t eerste vernemp, hef ’t zelf in ’t hemp: wie het ’t eerst ruikt, heeft zelf z’n gatje gebruikt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hemd , hemd , hemp , hemden, hemde , Ook hemp (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. hemd Hie zweeidde zo, dat hie was nat tot op het hemd (Eex), Ik had het tot op het hemd toe deur was doornat (Sle), Zie hebt gien hemd an het lief (Gie), ...um het gat bezitten niets (Sle), Hie vrag mij het hemd van het gat of wil het naadje van de kous weten (Vtm), Een nuffig maagien löp op de meniere van hempien raak mien gattien niet (Mep), Hij zette hum in zien hempie, ...leut hum in zien hempie staon zette hem voor schut (Klv), Hij ston mooi in zien hemd (Erf), Zie hebt hum tot het hemd toe oettrökken uitgekleed, ook fig. (Dro), Ik laote mij het hemd niet aover de kop halen niet beetnemen (Hgv), Zij hef wat onder het hemd is zwanger (Hav), Het hemd dat trilt hum veur de kont hij is erg bang (Bco), Die trekt ook het hemd niet uut, veurdat hij naor bedde giet verkoopt het vel niet voordat de beer geschoten is (Hgv), Aj niet oppast, haalt hij oe het hemp nog over de kop vel over de oren (Flu), Het hemd van de boer, ...van de domeneer, ...van de pastoor vlies op melk of pap (Ruw), Woj roken? Dan moej je hemd in braand steken (Eex), Hij hef een gezicht as een voel hemd vale kleur (Gro) 2. doodshemd (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Vroeger lag er vèur iederiene een hemd klaor boven in het kamnet (Hijk), zie ook doodshemd *Het hemd is naoder as de rok (Bei); Het kan beter van het hemp as van de man beter van de stad dan van het dorp (Bov); Wie het het eerst vernemp, hef het zelf in het hemd van een wind (Mep); Geze, Gazze Goezegat / Hef vannaacht een vrijer had / Hef der met op ber legen / Hef hum het heeile hemd bemegen (Eex); Mis, zee de maid, het hemd zit der veur (Vtm); As het mode is, kan het hemd wel bovenan als het maar mode is, dan is alles mogelijk (Nor); Natuurlijk is nakend en nakend is zonder hemp (Mep); Op het lèeste hemd zit gien buus je kunt niets meenemen als je sterft (Oos); Drei maol om het huus tou lopen, den hest gain hemd meer aan dat levert geen hemd méér op. Kinderspel, waarbij je iemand driemaal om het huis stuurt (Vtm); Aj vlooien vangen wilt, moej het hemd over de kop trekken (Gas); Hemp uut de broek zal taofel dekken / Jozef zal de pot uutlekken gezongen door kinderen, als iem. het hemd uit de broek had hangen (N); Hille, bille baksteein / Tilt het hemd op / Lat het gat zeein (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hemd , emp , emmen , empien , hemd
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hemd , hemp , hemd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hemd , hèm , hemd , Wie hóóger schét és z'n kónt sti, môkt z'n hèm vûil. Hij die hoger schijt als zijn kont staat, maakt zijn hemd vuil. Mensen die boven hun stand leven maken zich belachelijk.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hemd , hemd , himd , zelfstandig naamwoord , et 1. hemd 2. doodshemd; hempien, et 1. hemdje 2. (mv.) bloemen van de hagewinde of van de akkerwinde 3. klokjesgentiaan, in blauwe hempies
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hemd , emd , (zelfstandig naamwoord) , empien , hemd. IJ ef een te kört empien an. Spreekw.: Wiet eerste vernemt eft zelf in ’t emd: wordt gezegd tegen iemand die een wind heeft gelaten maar een ander de schuld geeft. Het antwoord daarop kan luiden: En wie döörop antwoordt zet de stank voort.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hemd , em , emmeke , groot hemd-kinderhemdje , tegeworrig draog da jong volluk gin em mjir = tegenwoordig dragen jonge mensen geen hemd meer- da motte ze zelluf wete, mar ikke wel wor, aanders ek zo ’n klets te pakke = dat moeten ze zelf weten, maar ik wel hoor, anders heb ik zo een kou te pakken- ’n em en n’n bostrok droeg vruger iederjin = vroeger droeg iedereen een hemd en een borstrok- hoewel kienderemmekes mar jil klèèn zen koste ze bekaant net zoveul as ’n grwôôt em = hoewel kinderhemdjes maar heel klein zijn kosten ze bijna net zoveel als een groot hemd-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hemd , hemd , hemp , 1. hemd; 2. vel op gekookte melk; 3. vet rond nieren, reuzel; 4. middenrif van een geslachte koe of varken; hemprok, borstrok; engels hem, overhemd.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hemd , hemmeke , emmeke, hempje , zelfstandig naamwoord , hemdje (Tilburg en Midden-Brabant); emmeke; hemdje (West-Brabant); hempje; hemdje (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hemd , humme , (onzijdig) , hummes , humke , hemd , Emes ’t humme van ’t lief vraoge. ‘Vrouw gaeftj det dj’r lang laeftj, det dj’r riek en zalig waertj’: als bij ’t grabbelen op oudejaarsdag niets gegeven werd zongen de kinderen dit. ‘det uch ’t humme ane vot klaeftj’: in plaats van de laatste zin.: in plaats van de laatste zin.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hemd , hempie , hempie kreukel m’n aasjie nie, hempie kreukel me naadjie nie, werd gezegd tegen iemand, die zich nogal gauw op z’n teentjes getrapt voelde. [aasjie = aars]
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
hemd , hèm , zelfstandig naamwoord , hèmmeke , "hemd; Hamme mar hèmme = hadden we maar hemden; Hèmme gin hèmme?; Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Schrèèft et mar óp oewen bèùk; dan kundet meej oewen hèmslip ötvèège. Pierre van Beek – Sommige mensen hebben een eigenaardige manier van lopen, die de indruk van voorzichtigheid maakt. Van dezulken zegt men: ""Den dieje lôpt op aaier (eieren)"" en ook wel ""Hemmeke raok m'n gotje nie!"" (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 5 juni 1950); Van Beek - Een ""kakmadamme"" is een opschepster, terwijl men van 'n meisje of vrouw, die een trotse houding heeft en heel voorzichtig loopt, zegt: ""hemmeke rokt m'n gatje nie"". Dat zal wel een ""semmeltrien"" zijn, heet het dan. Wil men zeggen: schiet toch een beetje op!, of treuzel zo niet, dan klinkt het: ""semmeltrien!"". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet gin hèmmekes óplichte (Si'59) - geen kwaadspreken; Brabantse spreekwoorden (Mandos): hèmmeke ròk men gatje nie - op eieren lopen; verwaand zijn; Henk van Rijen: 'K-mot gin pestoorshèm in munne teej ' - ik wil geen vellen in mijn thee; Apocope van finale stemloze dentaal (als in ik wòr, hij doe); WBD III.2.2:96 'doodshemd' = doodskleed; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEM voor hemd, ... reeds bij Meyer verouderd. Z.a. A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hèm (kaart 44); De Bont: zelfstandig naamwoordo. hemd; hemslip - hemdslip; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): ;  HEM zelfstandig naamwoordo. - hemd, vklw.'hemmeken'; Hees: èm, èmmeke (VI:8); WNT HEMD - hem (Brab.)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hemd , hemp , hemde , hempje , hemd
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal