elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hengst

hengst , hengest , (mannelijk) , hengeste , hengst.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hengst , hengst , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie boere-karhengst.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hengst , hings , hengst.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hengst , hengs , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hengsn , hengsjen , hengst
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hengst , hengst , m , klap ’nen flinken hengst vör de kop kriêge Een flinke klap tegen het hoofd krijgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hengst , hingst , hienst , zelfstandig naamwoord de , Variant van hengstst. Verouderde variant hienst. Vgl. Fries hynst.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hengst , hingst , roepnaam voor de hengst.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hengst , hengst , de , hengsten , klap Za’k oe ies een hengst an de kop geven (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hengst , hingst , hingste, hingse, hinkse, hengste, hengst , de , hingsten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook hingste of hingse (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), hinkse (Zuidwest-Drenthe, noord), hengste (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), hengst (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. hengst Hij moet met ’t peerd naor de hingst (Row), Mien va zeg Aj met ’t peerd naor de hengst gaot muuj zörgen daj ’s mörgens de twiede bint dan wördt e altied drachtig (Pdh), Hij houwt as een hingst slaat als een hengst (Bco) 2. lomp persoon (Veenkoloniën) Dat is een hengst van een kerel (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hengst , engst , hengst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hengst , hengs , hengst.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hengst , hingst , zelfstandig naamwoord , de; 1. hengst 2. zwaargebouwde kerel 3. flinke klap
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hengst , haaiñst , haiñst, heiñst, hingst, hengst , zelfstandig naamwoord , haaiñste, heiñste, hingste, hengste , haaiñstsie, heiñstie, hingstsie , hengst Hengsten die voor de fok waren afgekeurd werden verkocht om in de stad sleperswagens te trekken Ook haiñst, heiñst, hingst; Zôô zuur azzen haaiñst In deze uitdrukking is haaiñst een hengst. De uitdrukking is ook van toepassing op kwaadaardige personen; haiñst [O] hengst Zie haaiñst Ook heiñst, hingst; Zôô zuur as een haiñst [O] buitengewoon zuur; hingst dekhengst; hengst [O, Barg] klap, drijver, slag Ik kreeg een hengst voor m’n harses Ik kreeg een klap voor mijn kop
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hengst , engst , (zelfstandig naamwoord) , 1. hengst; 2. klap. Za-k oe is een engst gèven?
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hengst , hingst , hengst
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
hengst , hingst ,  hingste , 1. hengst 2. lomperd
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hengst , hèngst , zelfstandig naamwoord , WBD hengst, ongesneden mannelijk paard; WBD klòphèngst, klaphingst - slecht gesneden hengst, in Hasselt: 'piet'; WBD gebrooken hèngst - hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt; WBD hèngstvölle, hèngstvulletje - mannelijk jong van een paard; WBD kèrhèngst - lomp paard; WBD bè den hèngst haawe vv.e.merrie) - bij de hengst brengen (ter dekking); WBD III.1.2:34 'hengst' = slag; ook: 'peer, fleer,'enz. Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HENGST zelfstandig naamwoord mannelijk: - Zuren hengst - zuur roggebrood
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hengst , hings , hengst
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal