elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hevig 

hevig  , haevig , hevig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hevig , heeweg , bijwoord , erg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hevig , hivvig , hevig.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hevig , hèèveg , hevig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hevig , heevege , heel veel , De manne hôn heevege slaop ik héb ze mér vruug tebèd gedôn, ze ligge te snörreke. De kinderen hadden heel veel slaap ik heb ze maar vroeg in bed gestopt, ze slapen al.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal