elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hiel 

hiel , hiel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie hieling en vgl. slobberhiel, hielsleer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hiel  , hiel , varkenspoot.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hiel , hiele , zelfstandig naamwoord meervoud , Hielen, in de zegswijze z’n hiele nei z’n gat hale, hard lopen, hard werken. – Z’n hiele uit z’n sloffe loupe, het vuur uit zijn sloffen lopen. – Ik zien liever z’n hiele as z’n tône, ik zie hem liever gaan dan komen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hiel , hiel , hiele , de , hielen , Ook hiele (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drenthe) = 1. hak, hiel Zit mij niet op de hielen te trappen (Coe), Hij redt mij geregeld bie de hielen of rijdt te dicht langs me (Klv), Ik heb de hiel rauw (Dal), De veldwachter zat Jans vlak op de hielen (Wed), ’k Heb hom de huil dag op de hielen zeten aans kwam ’t nait klaor (Erf), ’t Is net of de duvel hum op de hielen zit zo hard gaat hij (Sti), Aan de kousen breiden wij een grote hiel en ’n kleine hiel (Ndo) 2. deel van de zeis (Zuidoost-Drents zandgebied) De hiele is dat ding dat tuschen de zende en de strop komt (Schn), zie ook het meer gebruikelijke hak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hiel , hiel , zelfstandig naamwoord , de; hiel, bekend lichaamsdeel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hiel , hiele , uitdrukking , Ze laetet niet an der hiele drôôge Ze onderneemt snel actie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hiel , hiel , zelfstandig naamwoord , hiel; De kèrmenaoj, de platte ribbe, de zult of krèp, et zwoert èn spèk. Toe den hiel aon toe. Durreege spèk èn ballekebraaj. Et smòdderpötje. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009); WBD (Hasselt) ploegzool (balk die over de grond glijdt); WBD (Hasselt) ploeghiel (achterste gedeelte van de ploegzool); Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de hielen òn de vurkaant geboore zèèn (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970) - sloom zijn; Brabantse spreekwoorden (Mandos): op de hiele draaje (Handschrift Daamen 1916) - koket lopen; WBD III.1.3:248 'hiel' = hak v.e. schoen; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hiel (kaart 90)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal