elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hij 

hij , hij , Dit pers. vnw. gebruikt men, in mijne standplaats, in de praattaal, gedurig ook voor personen van het vrouwelijk geslacht, wordt in eenige dorpen ook
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hij , hi , persoonlijk voornaamwoord, 3e persoon enkelvoud. Van kinderen sprekend, zegt men van een jongen doorgaans zi, van een meisje hi (dus ook hem voor haar, en omgekeerd). Ook gebruikt men wel eens, ’t zij men van een man, van een vrouw of kind spreekt, het onzijdige het. ’t Is (hij is) in den winkel; ’t is (zij is) ter op oet.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
hij , e ,  ie, hie , voor: hij; zoo schriffe oos; doe beete oppe tanden; dat e (= dat hij); asse komp motte ʼn toertien blieven (als hij komt moet hij een poosje blijven); isse dʼr west? Wat zee e?(is hij er geweest? wat zei hij? Ook Gron. bv. asse = als hij; mōsse = moet hij; verdijnde niks? = verdient hij, en ook: verdiende hij niets? wasse riek? = was hij rijk? enz. – Bij het noemen der letters wordt op sommige plaatsen eene e toegevoegd: beje (b), deje (d), elle (l), emme (m), erre (r), esse (s); in Gron. effe, elle, emme, enne, esse, erre. hie = (= hij), ook voor: zij; “doe was hie (de sukkelende vrouw) zoo kolderig inne hoed.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hij , , hij , (voornaamwoord) , hij.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hij , er , voor: hij. Zie: der.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hij , hij , hai, hei , hij, zij, het.
in de Marne voor manlijk en vrouwlijk geslacht; hij het hōm wösken = hij, ook: zij heeft zich gewaschen.
hai (Hoogeland) voor: hij. Zie: ai 1. (Swaagm. schrijft hi, dat wel Oud-Hollandsch maar geen Groningsch is). Vgl. ook: hij!
de 3 persoon in plaats van den 2den; hij (of: zij) zel eten (enz.) hebben, mam zel heur nannen (= ik zal u wiegen) zegt de moeder tegen haren zuigeling; het’e wat, mien jong? = hebt gij het mijn jongen? lust’e ’t wel, mien vent?
’e (onvolkomen) voor: hij; zee’e = zeide hij; kwam’e = kwam hij; dat’e = dat hij; dou’e = toen hij; of’e, offe = of hij; wat’e, watte = wat hij; as’e, asse = als hij; mos’e, mōsse, mōzze = moet hij; harre geld? = had hij geld? In sommige gevallen verdwijnt ook deze e en wordt dus het voornaamwoord in het werkwoord opgelost: verdijnde niks? = verdient hij niets? – ook: verdiende hij niets? wacht’e op ijn? wacht hij op iemand? ook: wachtte hij op mij? doar twiefelde nijt an = daar twijfelde hij niet aan; dat leufde of loofde nijt = dat gelooft hij niet, en ook: dat geloofde hij niet; dat rakte = dat treft hij; dat mijnde nijt = dat meent, en: dat meende hij niet; doar lopte = daar loopt hij; doar wille niks van wijten; doar speulde mit; doar leunde op; hier ette van, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hij , hij , (hoi en hai) , (voornaamwoord) , Enclitisch gebruikt i. || Hoi daan (deed) ʼet. Wet moet-i doen? – 2de naamv. hummes, hum of hem. || “Wie zen boek is dat?ˮ “O, dat is hummes (het zijne).ˮ Het is hum (hem) boek (zijn boek). – 3de en 4de naamv. ʼem, en, als het woord de nadruk heeft, hum. || Ik zien ʼem niet. Geef ʼet maar an hum. – Vrouw. zij en ze, in de overige naamvallen haar en ʼer; 2e naamv. hares, 4de naamv. ook ze. || Ik heb ze niet ʼezien. – In de 1ste naamv. enkelv. zegt men ook wel hem, vooral te Wormer. || Hem is er ʼeweest. – In het meerv. ook heulie. || We mosten heulie ook maar verzoeken (uitnodigen). – In de 1ste naamv. meerv. gebruikt men ze en, met nadruk, zollie (of zullie). || Ze hebben ʼer niet ʼeweest. Kommen zollie der ok? – In de andere naamvallen (d)erlui en hollie (hullie). In de 4de naamv. ook ze. || Derlui voorkamer is erge klein. Loop effen na haarlui toe. Dat waar (was) gemien van derlui. Daar heb-je haarlui ok. Hollie huis was toe. Ik zel ʼet hullie wel zeggen.Roep ze maar hier. – Wederkerige werkwoorden worden nog geconstrueerd met hem, en niet met zich. || Hij moet ʼem er nog ers op bedenken. Ze schaamt ʼer niks. – Zegsw. hum van der hummes, dinges, hem. || “Wie?ˮ “Nou, hum van der hummes.ˮ Daar heb-je hum van der hummes ok. – De meeste der hier genoemde vormen van het voornaamwoord zijn ook elders in Holl. en Utrecht gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hij , hij , Zij. Van een vrouw zoowel als van een man sprekend zegt men hij.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hij  , hae , hij.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hij , hee , persoonlijk voornaamwoord , hij, ook voor vrouw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hij , e , (uitspraak korte u), hij
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hij , er , (gewestelijk, op het eind van een zin), hij
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hij , hai , hij. Zeer ouderwets is het een vrouw met hai aan te duiden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hij , hai , persoonlijk voornaamwoord , Hij.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hij , hee , hij.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hij , hi , hee , hij.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hij , hie , hij, hai, e, ie, er , persoonlijk voornaamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook hij (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), hai (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), enclitisch ook e, ie, er (Zuidoost-Drents veengebied) = hij, ook ter aanduiding van vrouw of vrouwelijk dier (niet in Veenkoloniën en Kop van Drenthe; in sommige plaatsen als lomp ervaren), As hij van de vergadering komp hef e altied een beste borrel op (Bov), De beesten bint altied hij (Hol), Mot die ko gauw kalven Ja hij is al over tied (Hijk), Dat vrommes miende dat hij ’t aaid zölf mus doen (Pdh), Mien vrouwe is maor klein van stok maor warken kan hij (Hgv), Waor is je mo toch bleven Weej ok waor e hen is? (Hijk), Ik daachde dat dat wichtie ok kommen zul mor ik zeei hum niet hie kan wel zeeik wezen (Eex), zie ook het
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hij , ie , hij.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hij , ij , hij
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hij , ie , persoonlijk voornaamwoord , onbeklemtoonde variant van hi’j (weinig geschreven)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hij , hi’j , persoonlijk voornaamwoord , hij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hij , hèìj , hij
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hij , e , (persoonlijk voornaamwoord) , (onbeklemtoond), hij. Mut e niet wärken? Zie ook: ij.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hij , ij , (persoonlijk voornaamwoord meervoud) , hij. IJ mut nog ant wärk. IJ weet ter niks van. Zie ook: e.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hij , hèij , hij
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hij , hie , hiej , hij.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hij , hae , hij, onbeklemtoond ook d’r , Hae wètj neet waat d’r zaet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal